K19.003 AstraZeneca/Boehringer Ingelheim

26 juli 2019

De Codecommissie (Kamer I) heeft het navolgende overwogen en beslist naar aanleiding van de klacht in kort geding (CGR nummer: K19.003) op de voet van artikel 30 van het Reglement voor de Codecommissie en de Commissie van Beroep van de Stichting CGR (hierna: het Reglement) van:

AstraZeneca B.V.,
gevestigd te ‘s-Gravenhage,
hierna verder te noemen “AZ”,
gemachtigde: mr. drs. R.M. Sjoerdsma,

tegen

Boehringer Ingelheim B.V.,
gevestigd te Alkmaar,
hierna verder te noemen “BI”,
gemachtigde: mr. dr. M.D.B. Schutjens,

inzake een uiting van BI over haar geneesmiddel Jardiance® (werkzame stof: empagliflozine).

1. Het verloop van het kort geding

1.1 De Codecommissie heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift met bijlagen van mr. drs. Sjoerdsma, namens AZ, van 13 juni 2019;
– het verweerschrift met bijlagen van mr. Schutjens, namens BI, van 5 juli 2019;
– pleitnota’s van beide partijen.

De inhoud van voornoemde stukken geldt als hier ingelast.

1.2 De Codecommissie CGR heeft de klacht in kort geding behandeld ter zitting van 17 juli 2019 te ‘s-Gravenhage. Ter zitting werd AZ vertegenwoordigd door I. van Gorp (Legal & Compliance Manager), bijgestaan door mr. drs. Sjoerdsma voornoemd. Namens BI waren aanwezig drs. J. Kuijs (MD, Medical Director The Netherlands), B. Mulder (MBA, MD, Medical Affairs Lead) en C. de Roos (Medical Team Lead), bijgestaan door mr. dr. Schutjens voornoemd.

2. De vaststaande feiten

2.1 Voor de beslissing in deze zaak kan van de volgende – tussen partijen niet omstreden – feiten worden uitgegaan.

2.2 AZ en BI zijn ondernemingen die zich bezig houden met de productie, verhandeling en distributie van geneesmiddelen en zijn vergunninghouders als bedoeld in de Gedragscode Geneesmiddelenreclame, hierna de Gedragscode.

2.3 AZ brengt het geneesmiddel Forxiga® (werkzame stof: dapagliflozine) op de Nederlandse markt. Forxiga® is geïndiceerd bij volwassen patiënten, 18 jaar en ouder, met type 2 diabetes mellitus om de bloedglucoseregulatie te verbeteren:

Monotherapie
Wanneer enkel dieet en lichaamsbeweging geen adequate verbetering van bloedglucoseregulatie geeft bij patiënten voor wie het gebruik van metformine ongeschikt wordt geacht wegens onverdraagbaarheid.

Add-on combinatietherapie
In combinatie met andere glucoseverlagende geneesmiddelen inclusief insuline, wanneer deze samen met dieet en lichaamsbeweging geen adequate verbetering van de bloedglucoseregulatie geven.

2.4 BI brengt het geneesmiddel Jardiance® (werkzame stof: empagliflozine) op de Nederlandse markt. Jardiance® is geïndiceerd voor de behandeling van volwassenen met onvoldoende gereguleerde diabetes mellitus type 2 als aanvulling op dieet en lichaamsbeweging

– als monotherapie als metformine niet geschikt geacht wordt vanwege intolerantie
– als aanvulling op andere geneesmiddelen voor de behandeling van diabetes.

Voor studieresultaten met betrekking tot combinaties, werkzaamheid op bloedglucoseregulatie en cardiovasculaire gebeurtenissen, en de onderzochte populaties, zie rubrieken 4.4, 4.5 en 5.1.

2.5 BI heeft gebruik gemaakt van een poster getiteld “JARDIANCE® IN DE STRIJD TEGEN CV STERFTE” (zoals hieronder afgebeeld en door AZ als bijlage B overgelegd) tijdens een bijeenkomst van Vascular Rounds te Roermond op 14 mei 2019. In deze uiting worden de volgende claims gebruikt:

– claim 1: “JARDIANCE® IN DE STRIJD TEGEN CV STERFTE – BIJ DIABETES TYPE 2 EN HVZ”;
– claim 2: “Minder CV sterfte 38% relatieve risicoreductie”;
– claim 3: “Jardiance® is bewezen en geregistreerd om uw patiënt CV bescherming te bieden”.

2.6 AZ heeft op 17 januari 2019 een klacht ingediend in verband met beweerdelijk ontoelaatbare reclame voor Jardiance®. In dit geschil was onder meer aan de orde een leave behind en een insteekkaart van BI, getiteld “Jardiance in de/uw strijd tegen CV sterfte”. Op 26 april 2019 heeft de Codecommissie onder nummer K19.001 uitspraak gedaan. Deze uitspraak hield in, onder meer en kort samengevat, dat de uitingen van BI over Jardiance® in strijd werden geacht met de Gedragscode. Tegen deze uitspraak met nummer K19.001 is geen beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep.

3. De klacht van AZ

3.1 De klacht van AZ is gericht tegen de uiting van BI over Jardiance®, zoals hiervoor in punt 2.5 omschreven en afgebeeld. AZ stelt zich op het standpunt dat deze uiting primair in strijd is met de uitspraak van de Codecommissie van de Stichting CGR van 26 april 2019 met nummer K19.001 (hierna genoemd de “Uitspraak”) en subsidiair in strijd met de Gedragscode Geneesmiddelenreclame (hierna “Gedragscode”), in het bijzonder de artikelen 5.2.1.2, 5.2.1.3, 5.2.2.3, 5.2.2.4 en 5.2.2.8g en h jo. 5.2.2.9. AZ voert daartoe samengevat het volgende aan.

Primair: strijd met de Uitspraak

3.2 AZ stelt dat de drie claims “JARDIANCE® IN DE STRIJD TEGEN CV STERFTE – BIJ DIABETES TYPE 2 EN HVZ”, “Minder CV sterfte 38% relatieve risicoreductie” en “Jardiance® is bewezen en geregistreerd om uw patiënt CV bescherming te bieden” in strijd zijn met de Uitspraak.

3.3. AZ verwijst naar de overwegingen 6.4 jo. 6.4.7 en 6.4.9 van de Uitspraak voor wat betreft claim 1 “JARDIANCE® IN DE STRIJD TEGEN CV STERFTE – BIJ DIABETES TYPE 2 EN HVZ” en claim 2 “Minder CV sterfte 38% relatieve risicoreductie”, in welke overwegingen volgens AZ de Codecommissie voornoemde claims in strijd met de Gedragscode heeft geoordeeld.

3.4 AZ stelt voorts dat claim 1 en claim 2 eveneens in strijd zijn met de Uitspraak in het geval door BI aan deze claims – niet zijnde in een voetnoot – wordt toegevoegd dat het eindpunt CV sterfte in de EMPA-REG studie een verkennend eindpunt betrof. AZ verwijst naar de in overweging 6.4.7 van de Uitspraak genoemde beperkingen, welke volgens AZ niet limitatief zijn. Daarbij stelt AZ dat de studiepopulatie van de EMPA-REG studie bestond uit patiënten met type 2 diabetes mellitus en een “especially high cardiovascular risk”, hetgeen volgens AZ niet vertaald kan worden als “bij diabetes type 2 en HVZ”.

3.5 Voor wat betreft claim 3 “Jardiance® is bewezen en geregistreerd om uw patiënt CV bescherming te bieden” verwijst AZ naar overweging 6.6 van de Uitspraak. In deze overweging heeft de Codecommissie volgens AZ geoordeeld dat de claim “Jardiance® heeft het bewijs en is geregistreerd om uw patiënt CV bescherming te bieden” in strijd met de Gedragscode is. Het tekstuele verschil tussen “heeft het bewijs” en “is bewezen” doet er volgens AZ niet aan af dat claim 3 in strijd is met de Uitspraak.

3.6 AZ wijst er op dat in deze procedure geen plaats is voor een inhoudelijke herbeoordeling. BI heeft geen beroep ingesteld tegen de Uitspraak, zodat de Uitspraak heeft te gelden als een bindend advies in de zin van artikel 7:900 lid 2 Burgerlijk Wetboek.

Subsidiair: strijd met de Gedragscode

3.7 AZ verwijst voor zover de Codecommissie van mening zou zijn dat een herbeoordeling wel op zijn plaats zou zijn, naar de stellingen die zij reeds heeft ingenomen in de stukken die zij heeft ingediend in de procedure die geleid heeft tot de Uitspraak, welke stukken ook in deze procedure zijn overgelegd en als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd.

Spoedeisend belang

3.8 AZ stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij behandeling van haar klacht in kort geding. Uit de correspondentie die volgde tussen partijen blijkt volgens AZ duidelijk dat BI verschillende claims die in de eerdere uitspraak van de Codecommissie ontoelaatbaar werden geoordeeld – al dan niet met een minimale toevoeging – wenst te blijven hanteren. Naar de mening van AZ is deze (voorgenomen) handelwijze in strijd met de eerdere uitspraak en de Gedragscode.

4. Het verzoek van AZ

4.1 Gelet op het voorgaande verzoekt AZ de Codecommissie aan BI de navolgende maatregelen op te leggen:

a) BI te bevelen het gebruik van de Claims met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden en te bevelen om claims met een gelijke strekking in de toekomst niet meer te gebruiken;

b) BI te bevelen om uiterlijk 3 dagen na uitspraak een rectificatie per brief of per e-mail te sturen aan alle aanwezigen van de bijeenkomst in Roermond van 14 mei 2019 – alsmede een afschrift van iedere afzonderlijke vorenbedoelde brief of e-mail aan de ondergetekende gemachtigde van AZ – welke rectificatie in normale opmaak en lettergrootte en zonder weglatingen, aanvulling of commentaar in welke vorm dan ook de door AZ voorgestelde inhoud zal bevatten;

c) BI te veroordelen in betaling van de volledige kosten van de procedure, waaronder begrepen het griffiegeld en de kosten van de procedure uit hoofde van artikel 28 Reglement, en

d) deze uitspraak volledig uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

5. Het verweer van BI

5.1 BI stelt dat de klacht is gericht tegen een oude poster die door een medewerker van BI tijdens de bijeenkomst van Vascular Rounds op 14 mei 2019 abusievelijk is gebruikt. BI stelt dat dit niet had mogen gebeuren en dat de uiting niet op alle onderdelen in lijn is met de Uitspraak. BI heeft aangegeven dat excuses is aangeboden aan AZ en dat BI de aanwezigen bij de bijeenkomst een rectificatiebrief heeft gestuurd, overgelegd door AZ als bijlage D en bijlage E, zodat volgens BI een mogelijk ontstane verkeerde indruk is weggenomen.

5.2 BI stelt dat zij expliciet en onvoorwaardelijk heeft toegezegd om de Uiting niet meer te gebruiken en dat zij voorts heeft toegezegd dat zij in de toekomst bij claims over CV-sterfte steeds duidelijk (en dus niet slechts in een voetnoot) zal vermelden het feit dat CV-sterfte een verkennend eindpunt was in de EMPA-REG studie (als onderdeel van een samengesteld eindpunt (3P-MACE)) en de patiëntenpopulatie: patiënten met HVZ en diabetes type 2. Over de precieze aanduiding van de patiëntenpopulatie stelt BI dat zij in al haar uitingen altijd duidelijk is geweest door aan te geven dat de claims betrekking hebben op diabetes type 2 patiënten met uitsluitend een verhoogd risico en dat zij daarmee voldoet aan de Uitspraak. BI benadrukt dat zij niet toezegt om de claims “JARDIANCE® IN DE STRIJD TEGEN CV STERFTE – BIJ DIABETES TYPE 2 EN HVZ”, “Minder CV sterfte 38% relatieve risicoreductie” en “Jardiance® is bewezen en geregistreerd om uw patiënt CV bescherming te bieden” nooit meer te gebruiken. BI licht haar verweer als volgt toe.

Claim 1 “JARDIANCE® IN DE STRIJD TEGEN CV STERFTE – BIJ DIABETES TYPE 2 EN HVZ” en claim 2 “Minder CV sterfte 38% relatieve risicoreductie”

5.3 Onder verwijzing naar de overwegingen 6.4.2 tot en met 6.4.7 is BI van mening dat de Codecommissie geen algemeen verbod van het gebruik van de claims heeft opgelegd. BI stelt dat uit de Uitspraak volgt dat de claims over de resultaten over CV sterfte toelaatbaar zijn onder de voorwaarde dat de beperkingen ten aanzien van de bijzondere patiëntenpopulatie en verkennend eindpunt duidelijk (dus niet slechts in een voetnoot) worden vermeld, zodat deze voor de beroepsbeoefenaar helder zijn. Het in K19.001 verbod ziet volgens BI uitsluitend op het gebruik van de claims zonder dat aan deze voorwaarde is voldaan. Voor het overige verwijst BI naar haar hiervoor omschreven toezegging.

Claim 3 “Jardiance® is bewezen en geregistreerd om uw patiënt CV bescherming te bieden”

5.4 BI stelt dat claim 3 weliswaar ook in K19.001 is beoordeeld, maar dat de wijze waarop en de context waarin deze claim is gebruikt, wezenlijk anders is in de verschillende uitingen. In de uitingen die in het geding waren in K19.001 ging het volgens BI om de combinatie van de claim met andere claims in dezelfde uiting, waarbij de kern van de klacht was dat door deze combinatie van claims de misleidende indruk is ontstaan dat de indicatie uitgebreid zou zijn. BI verwijst naar de overwegingen 6.4.8 en 6.6 tot en met 6.8 van de Uitspraak. Claim 3 sluit volgens BI aan bij wat de Codecommissie heeft vastgesteld, namelijk dat Jardiance al geregistreerd is voor CV sterfte. In de Uiting wordt niet gesuggereerd dat de indicatie van Jardiance is uitgebreid. De claim is volgens BI niet in strijd met de Uitspraak of met de Gedragscode.

Conclusie

5.5 BI concludeert dat de Uiting slechts op één onderdeel niet voldeed aan de Uitspraak en op dat onderdeel inmiddels een onvoorwaardelijke toezegging ligt en mogelijke verwarring bij de deelnemers van de bijeenkomst door de rectificatiebrief al is weggenomen, zodat er geen (spoedeisend) belang meer is om de zaak te behandelen. Voor zover de Codecommissie de klacht toch in behandeling neemt, moet de klacht ongegrond worden verklaard en moeten de vorderingen worden afgewezen. In aanvulling daarop stelt BI dat de vordering onder a te vergaand is en de vordering onder b overbodig is en niet proportioneel gezien de reeds verstuurde rectificatiebrief.

6. De overwegingen van de Codecommissie CGR in kort geding

6.1 BI heeft de Codecommissie verzocht om de klacht in kort geding van AZ af te wijzen wegens gebrek aan (spoedeisend) belang. Naar het oordeel van de Codecommissie is er een voldoende spoedeisend belang om behandeling van het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen in kort geding te rechtvaardigen. BI heeft weliswaar ter zitting uitdrukkelijk verklaard de gewraakte uiting (overgelegd door AZ als bijlage B) niet meer te gebruiken, echter AZ houdt spoedeisend belang bij de beoordeling van de gewraakte uiting aan de hand van de Gedragscode en eventuele daarop gebaseerde maatregelen. De omstandigheid dat BI heeft toegezegd de uiting niet meer te zullen gebruiken en een rectificatie heeft gezonden, doet aan dit belang niet af. Van één van de overige in artikel 33 sub b en c van het Reglement genoemde gevallen is overigens geen sprake, zodat er geen reden is de klacht te verwijzen ter behandeling door de voltallige Codecommissie. Het verzoek van BI wordt afgewezen en de Codecommissie zal de klacht van AZ hieronder inhoudelijk behandelen.

Inhoudelijke beoordeling

6.2 De klacht van AZ heeft betrekking op de in de punt 2.5 omschreven uiting van BI voor haar geneesmiddel Jardiance®, te weten de poster die gebruikt is bij de bijeenkomst Vascular Rounds in Roermond op 14 mei 2019 (overgelegd als bijlage B door AZ). AZ beschouwt de overgelegde uiting als reclame in de zin van de Gedragscode, hetgeen niet door BI is weersproken. De Codecommissie gaat daar ook van uit.

6.3 AZ neemt het standpunt in dat de uiting primair in strijd is met de inhoud en de strekking van de uitspraak van de Codecommissie van de Stichting CGR van 26 april 2019 met nummer K19.001 (hierna genoemd “Uitspraak”) en subsidiair niet voldoet aan het gestelde in de Gedragscode. BI heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De Codecommissie overweegt dienaangaande als volgt.

Primair: in strijd met de Uitspraak

6.4 Het eerste onderdeel van de klacht van AZ is gericht tegen de claim “JARDIANCE® IN DE STRIJD TEGEN CV STERFTE – BIJ DIABETES TYPE 2 EN HVZ”.

6.5 In haar Uitspraak heeft de Codecommissie onder andere de claim “Jardiance® in uw strijd tegen CV sterfte”, de claim “Minder CV sterfte 38% relatieve risicoreductie” en de claim “Voor patiënten met diabetes type 2 en HVZ biedt Jardiance® extra CV bescherming” in strijd met de Gedragscode geoordeeld.

6.5.1 In de randnummers 6.4 tot en met 6.4.9 van voornoemde Uitspraak heeft de Codecommissie op basis van de beoordeling in het Assessment Report Jardiance® van de European Medicines Agency overwogen dat er zodanige beperkingen aan de uitkomsten van de EMPA-REG moeten worden gesteld dat algemene claims op het onderdeel CV sterfte niet op die studie kunnen worden gebaseerd zonder die beperkingen uitdrukkelijk in de uiting op te nemen. Die beperkingen betroffen voor wat betreft de voorgelegde klacht met name, doch niet noodzakelijkerwijze uitsluitend, de beperkingen zoals vermeld in de in randnummer 6.4.5 van de Uitspraak door de Codecommissie aangehaalde passages uit het Assessment Report Jardiance® en zoals geparafraseerd in randnummer 6.4.6 van de Uitspraak.

6.6 Op grond van dezelfde overwegingen is de Codecommissie van oordeel dat de claim “JARDIANCE® IN DE STRIJD TEGEN CV STERFTE – BIJ DIABETES TYPE 2 EN HVZ” in strijd is met de Uitspraak, omdat de beperkingen die aan de uitkomsten moeten worden gesteld uit de uiting onvoldoende duidelijk blijken. Dit betreft niet alleen de beperking dat de resultaten van de afzonderlijke componenten van het hiervoor genoemde samengestelde primaire eindpunt verkennend en hypothese genererend waren en dat bij alle eindpunten buiten MACE-3 en MACE-4 het effect van toevalsbevindingen een belangrijke zorg was, maar ook de beperking dat de studiepopulatie van de EMPA-REG studie patiënten zijn met een bijzonder hoog cardiovasculair risico, zodat de resultaten niet zonder meer geëxtrapoleerd kunnen worden naar de gehele type 2 diabetespatiëntengroep. De vermelding “Bij diabetes type 2 en HVZ” is daartoe onvoldoende. De vermelding “HVZ” is niet gelijk te stellen met diabetespatiënten met een bijzonder hoog cardiovasculair riciso. De claim “JARDIANCE® IN DE STRIJD TEGEN CV STERFTE – BIJ DIABETES TYPE 2 EN HVZ” is daarmee in strijd met de Uitspraak en daarmee in strijd met de Gedragscode. Dit onderdeel van de klacht van AZ is gegrond.

6.7 Tussen partijen is voorts in geschil of de claim “JARDIANCE® IN DE STRIJD TEGEN CV STERFTE – BIJ DIABETES TYPE 2 EN HVZ” met de door BI gedane toezegging bij deze claim te vermelden a) dat CV sterfte een verkennend eindpunt was in de EMPA-REG studie (als onderdeel van een samengesteld eindpunt (3P-MACE)) en b) de patiëntenpopulatie: patiënten met HVZ en diabetes type 2, in strijd is met de Gedragscode. AZ beantwoordt deze vraag bevestigend en BI ontkennend. De Codecommissie volstaat op dit punt met een verwijzing naar de Uitspraak en het hiervoor overwogene. Het is niet de taak van de Codecommissie in een klachtprocedure uitleg te geven over een eerder oordeel of een oordeel te vellen over een mogelijke toekomstige uiting van BI over Jardiance®, waarvan de inhoud niet vaststaat.

6.8 Het tweede onderdeel van de klacht is gericht tegen claim 2 “Minder CV sterfte 38% relatieve risicoreductie”. Gelet op het hiervoor in de randnummer 6.5 tot en met 6.6 overwogene is de Codecommissie van oordeel dat de claim “Minder CV sterfte 38% relatieve risicoreductie” op dezelfde gronden in strijd is met de Uitspraak en daarmee de Gedragscode. Dit onderdeel van de klacht van AZ is gegrond.

6.9 Het derde onderdeel van de klacht is gericht tegen de claim “Jardiance® is bewezen en geregistreerd om uw patiënt CV bescherming te bieden”. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen inzake de beperkingen die aan de uitkomsten van de EMPA-REG studie moeten worden gesteld en met name de specifieke patiëntengroep in de EMPA-REG studie met een bijzonder hoog cardiovasculair risico en het feit dat de resultaten van de afzonderlijke componenten van het samengestelde primaire eindpunt door de EMA als verkennend en hypothese genererend worden aangemerkt, is de Codecommissie van oordeel dat op basis van de EMPA-REG studie, zonder daarbij de beperkingen te noemen die aan de resultaten daarvan moeten worden gesteld, niet gebaseerd kan worden dat Jardiance® op het onderdeel van CV sterfte bescherming biedt en dat gelet op de totaliteit van de uiting met de claim de onjuiste suggestie wordt gewekt dat bewezen is dat Jardiance® CV bescherming biedt bij alle diabetes type 2 patiënten met HVZ en dat Jardiance® om die reden is geregistreerd voor het bieden van CV bescherming. De claim “Jardiance® is bewezen en geregistreerd om uw patiënt CV bescherming te bieden” is daarmee in strijd met de artikelen 5.2.1.3 en 5.2.2.3 van de Gedragscode. Dit onderdeel van de klacht is evenzeer gegrond.

Conclusie

6.10 Uit het geheel van het bovenstaande volgt dat de klacht van AZ gegrond is. De Codecommissie zal thans nagaan tot welke conclusies het bovenstaande moet leiden waar het de door AZ ingestelde vorderingen betreft. Vordering a ligt op grond van het bovenstaande voor toewijzing gereed. De Codecommissie zal BI voorts bevelen een brief met de navolgende rectificatie te sturen aan alle aanwezigen van de bijeenkomst Vascular Rounds te Roermond op 14 mei 2019. De Codecommissie ziet daartoe aanleiding nu de reclame-uiting, zoals hiervoor overwogen, ondanks de Uitspraak K19.001, en in strijd met de Gedragscode is gebruikt en de Codecommissie deze herhaalde schending beschouwd als een ernstige inbreuk op de Gedragscode. De omstandigheid dat de uiting “per ongeluk” nogmaals is gebruikt doet aan de ernst niet af, nu van BI mocht worden verwacht dat afdoende maatregelen zouden zijn getroffen om dit te voorkomen. Ook de door BI aan voornoemde aanwezigen toegezonden rectificatie (overgelegd als bijlage D door AZ) neemt niet, althans onvoldoende, de onjuiste, onvolledige en misleidende mededelingen weg.

6.11 Met betrekking tot de kosten van de procedure bepaalt artikel 36.1 juncto artikelen 28.1 en 28.2 van het Reglement dat de Codecommissie de partij, die in strijd met de Gedragscode heeft gehandeld, veroordeelt tot vergoeding van het griffiegeld als bedoeld in artikel 11.1 van het Reglement en/of de procedurekosten, bestaande uit een vast bedrag ter dekking van de kosten die de Stichting CGR maakt in het kader van de klachtenprocedures. Aangezien BI in strijd met de Gedragscode heeft gehandeld, zal zij op grond van de artikelen 28.1 en 28.2 van het Reglement worden veroordeeld tot vergoeding van het griffiegeld, zijnde 3.100,– Euro en van de procedurekosten 5.000,– Euro.

7. De beslissing van de Codecommissie in kort geding:

De Codecommissie (Kamer I), beslissend bij wijze van voorlopige voorziening:

– verklaart de klacht van AstraZeneca gegrond;

– beveelt Boehringer Ingelheim het gebruik van de in deze klacht genoemde en in strijd met de Gedragscode Geneesmiddelenreclame geoordeelde uiting met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden;

– beveelt Boehringer Ingelheim om binnen 3 werkdagen na de uitspraak een rectificatiebrief te sturen aan alle aanwezigen van de bijeenkomst Vascular Rounds te Roermond op 14 mei 2019, welke rectificatiebrief in normale opmaak en lettergrootte en zonder weglatingen, aanvullingen of commentaar in welke vorm dan ook, de navolgende inhoud zal bevatten:

RECTIFICATIE Jardiance® (empagliflozine)

Geachte heer/mevrouw,

Tijdens de bijeenkomst van Vascular Rounds te Roermond op 14 mei 2019 hebben wij in een promotionele uiting met betrekking tot het geneesmiddel Jardiance® (empagliflozine) de claims “Jardiance® in de strijd tegen CV sterfte – bij diabetes type 2 en HVZ”, “Minder CV sterfte 38% relatieve risicoreductie” en “Jardiance® is bewezen en geregistreerd om uw patiënt CV bescherming te bieden” gehanteerd.

In haar beslissing van 26 juli 2019 heeft de Codecommissie van de Stichting Code Geneesmiddelenreclame geoordeeld dat deze uiting in strijd is met een eerdere door haar gedane uitspraak van 26 april 2019 (met nummer K19.001) en in strijd is met de Gedragscode Geneesmiddelenreclame.

Voornoemde Codecommissie heeft ons verplicht u daarvan mededeling te doen.

Op de website van de CGR, www.cgr.nl. kunt u de volledige tekst van de uitspraak van de Codecommissie onder nummer K19.003 vinden.

Hoogachtend,

Boehringer Ingelheim BV”

– veroordeelt Boehringer Ingelheim tot betaling van het griffiegeld, zijnde 3.100,– Euro en van de procedurekosten als bedoeld in artikel 28 lid 1 van het Reglement, welke kosten zijn vastgesteld op een bedrag van 5.000,– Euro;

– verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

– wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen te ’s-Gravenhage op 26 juli 2019 door mr. M.V. van der Storm, voorzitter, mr. drs. J. Koggink en drs. B.R. Schudel, leden, in aanwezigheid van mr. E.C. van Duuren, griffier en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

ID:

K19.003

Onderwerp(en):

Vergelijkende reclame

Type beoordeling:

Klacht

Uitspraak:

(Deels) gegrond

Instantie:

Codecommissie

Datum uitspraak:

26-07-2019

Het officiële document:

Print deze uitspraak