K15.012 Sandoz/GSK

24 februari 2016

De Codecommissie (Kamer I) heeft het navolgende overwogen en beslist naar aanleiding van de klacht (CGR nummer: K15.012) in kort geding op de voet van artikel 30 jo. 10 van het Reglement voor de Codecommissie en de Commissie van Beroep van de Stichting CGR (hierna: het Reglement) van:

Sandoz B.V.
gevestigd te Almere,
verder te noemen: Sandoz,
gemachtigde mr. Th.Y. Adam-van Straten en mr. H.A.J. Pors te Rotterdam,

tegen

GlaxoSmithKline B.V.
gevestigd te Zeist,
verder te noemen: GSK ,
gemachtigde: mr. M. Hiemstra te Amsterdam,

inzake uitingen voor het geneesmiddel Relvar Ellipta.

1. Het verloop van het geding

1.1 De Codecommissie CGR heeft kennisgenomen van:

– de klacht van mr. Th.Y. Adam-van Straten en mr. H.A.J. Pors, namens Sandoz, vervat in het verweerschrift d.d. 3 december 2015 met betrekking tot de klacht nummer K15.010;
– de pleitaantekeningen van mr. Hiemstra van 11 januari 2016, met het door GSK gevoerde verweer;
– de pleitaantekeningen d.d. 11 januari 2016 van mr. Th.Y. Adam-van Straten en mr. H.A.J. Pors, namens Sandoz;

De inhoud van voornoemde stukken geldt als hier ingelast.

1.2 De Codecommissie CGR heeft de klacht behandeld ter zitting van 11 januari 2016 te Den Haag. Ter zitting werd Sandoz vertegenwoordigd door W. Fokkema (Compliance Manager) en K. van Poelvoorde (Productmanager Retail & Hospital), bijgestaan door mr. Adam-van Straten en mr. Pors voornoemd. Namens GSK waren aanwezig dr. R. W. van Olden (Director Medical & Regulatory), dr. A. Alewijnse (Medical Advisor Respiratory), R. Zielman (Medical Science Liaison), E. Bender (Product Manager) en H. J. Sleijffers (Manager Legal Affairs), bijgestaan door mr. Hiemstra voornoemd.

2. De klacht van Sandoz

2.1 De klacht van Sandoz is gericht tegen promotionele uitingen van GSK voor het geneesmiddel Relvar Ellipta, zoals overgelegd als producties 7 en 8. De klacht betreft de in die uitingen voorkomende claims:
-“Gewoon omdat ik er niet meer COPD bij kan hebben”
-“De Ellipta is speciaal ontworpen om het gebruiksgemak van inhalators naar een hoger niveau te tillen”

2.2 Die claims zijn volgens Sandoz in strijd met de Gedragscode Geneesmiddelenreclame (hierna: de Gedragscode).

2.3 Sandoz heeft om praktische redenen verzocht haar klacht te behandelen op dezelfde zitting van 11 januari 2016, waarop ook de behandeling van de klacht K15.010 van GSK is gepland.

2.4 Sandoz stelt dat het risico bestaat dat GSK de uitingen, opnieuw zal gebruiken en dat zij daarom een spoedeisend belang heeft bij het zo spoedig mogelijk (doen) beëindigen van het gebruik van de claims en bij het rechtzetten van het beeld dat GSK daarmee heeft neergezet. Voorschrijvers worden immers door de uitingen misleid, waardoor irrationele beslissingen kunnen worden genomen ter zake het voorschrijven van astma- of COPD-medicatie, aldus Sandoz.

3. Het verweer van GSK

3.1 GSK heeft om haar moverende redenen haar verweer ter zitting beperkt tot de betwisting van het door Sandoz gestelde spoedeisend belang en is (nog) niet inhoudelijk op de klachten ingegaan.

3.2 GSK wijst er op dat Sandoz, op de brief die GSK aan Sandoz heeft gestuurd betreffende de bezwaren van GSK tegen promotionele uitingen van Sandoz voor AirFluSal Forspiro, bij brief van 2 november 205 heeft gereageerd met de volgende mededeling: “Sandoz heeft inmiddels de reclame-uitingen van GSK met bijzondere interesse bekeken en daarin misleidende claims gelezen; u zult begrijpen dat Sandoz bij het doorzetten van deze zaak een tegenclaim zal initiëren”.

Daaruit blijkt volgens GSK dat de klacht niets meer is dan een wraakoefening. Sandoz heeft GSK ook niet in de gelegenheid gesteld om, alvorens een klacht in te dienen, vrijwillig te voldoen aan de eisen die zij nu op tafel heeft gelegd.

3.3 GSK stelt dat de reclame-uitingen waarover Sandoz klaagt al sinds mei 2015 niet meer zijn gebruikt. De uitingen in deze vorm zullen ook niet meer worden gebruikt, omdat het product inmiddels van uiterlijk is veranderd. Eventuele toekomstige vergelijkbare claims dienen op hun eigen merites te worden beoordeeld. Dat het praktisch is om de klacht van Sandoz op dezelfde zitting te behandelen als de klacht van GSK, maakt niet dat er een spoedeisend belang is. Enig spoedeisend belang van Sandoz bij behandeling van haar klacht in kort geding ontbreekt, aldus GSK.

4. De beoordeling

4.1 De Codecommissie stelt vast dat uit de stellingen van partijen blijkt dat de uitingen waarover Sandoz klaagt al geruime tijd geleden zijn verspreid, in elk geval al ruim vóór mei 2015. Sandoz heeft niet weersproken de stelling van GSK dat zij GSK niet eerder dan met de in haar verweerschrift van 3 december 2015 vervatte klacht op de hoogte heeft gebracht van haar bezwaren tegen de uitingen van GSK, zodat daarvan moet worden uitgegaan. Niet gesteld of gebleken is dat Sandoz pas recentelijk op de hoogte zou zijn gekomen van de uitingen waarover zij thans klaagt en ook overigens heeft Sandoz de reden van het tijdsverloop tussen het op de markt komen van de gewraakte uitingen en het indienen van de klacht niet toegelicht.

4.2 Sandoz stelt ter onderbouwing van haar spoedeisend belang bij een beslissing op de klacht in de eerste plaats, dat het risico bestaat dat GSK op (korte) termijn de uitingen waartegen de klacht zich richt opnieuw zal gebruiken.

GSK stelt echter dat zij de materialen waarover Sandoz klaagt al sinds mei 2015 niet meer gebruikt. In antwoord daarop wijst Sandoz erop dat op de brochure waarover zij klaagt is vermeld “Prod: mei 2014 Exp. april 2016”. De brochure is volgens Sandoz dus nog steeds geldig en er moet rekening worden gehouden met mogelijk voortgezet gebruik ervan, met name om dat de brochure is gemaakt als “showfolder” om op het bureau van de arts of de apotheek neer te zetten.

4.3 De Codecommissie overweegt dat uiteraard niet is uit te sluiten dat er nog brochures bij artsen of apotheken liggen, maar enige aanwijzing dat GSK de brochure na mei 2015 nog heeft verspreid heeft Sandoz niet genoemd.

4.4 GSK heeft schriftelijk meegedeeld, in haar pleitnotitie, ook niet van plan te zijn de genoemde uitingen opnieuw te gaan gebruiken. Zij heeft toegelicht dat het uiterlijk van het product inmiddels anders is dan in die materialen is afgebeeld. Dat is door Sandoz niet weersproken. Daarvan uitgaande is er naar het oordeel van de Codecommissie geen risico dat GSK de uitingen waartegen de klacht zich richt opnieuw zal gebruiken.

4.5 Op grond van vorenstaande overwegingen is de Codecommissie van oordeel dat er geen spoedeisend belang is dat behandeling van de klacht in kort geding rechtvaardigt. De klacht zal daarom op de voet van artikel 34 Reglement voor verdere behandeling worden verwezen naar de voltallige Codecommissie.

4.6 Het secretariaat van de Codecommissie zal met de gemachtigden van partijen contact opnemen voor het plannen van een zitting. GSK zal in de gelegenheid worden gesteld op de gebruikelijke wijze voorafgaand aan de zitting een verweerschrift in te dienen.

4.7 In dit stadium van de procedure wordt Sandoz veroordeeld tot betaling van het griffierecht van € 1.250,00.

4.8 Iedere verdere beslissing, ook ten aanzien van de procedurekosten en een eventuele vergoeding van het betaalde griffierecht op grond van artikel 28 Reglement, wordt aangehouden.

5. De beslissing

verwijst de klacht ter verdere beoordeling naar de voltallige Codecommissie;

veroordeelt Sandoz tot betaling van het griffierecht, zijnde € 1.250,00;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen te Den Haag op 24 februari 2016 door mr. M.V. van der Storm, voorzitter, drs. T.G.M. Hazelzet en dr. ir. P.J.M. Reijnders, leden, in aanwezigheid van mr. M.M.L.G. Zeijen-Otten, griffier en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

ID:

K15.012

Onderwerp(en):

Publieksreclame

Type beoordeling:

Klacht

Uitspraak:

Tussenuitspraak

Instantie:

Codecommissie

Datum uitspraak:

24-02-2016

Het officiële document:

Print deze uitspraak