AA19.069 Geschenken – aanvullend advies
AANVULLEND ADVIES (AA19.069) van de Codecommissie op het verzoek van de [X] van 21 november 2019 op de voet van artikel 59 van het Reglement van de Codecommissie en de Commissie van Beroep van de Stichting Code Geneesmiddelenreclame, uitgebracht door de voorzitter van de Codecommissie.
De Codecommissie heeft op 29 januari 2020 onder bovengenoemd nummer advies uitgebracht op het verzoek van [X] over kort gezegd de toelaatbaarheid van haar voornemen om in haar jubileumjaar [X] aan zorgverleners om niet een jaarabonnement op een aantal diensten van [X] ter waarde van € 40,00 aan te bieden. [X] wijst er terecht op dat het uitgebrachte advies enkel betrekking heeft op beroepsbeoefenaren, maar dat in de adviesaanvraag ook niet-beroepsbeoefenaren zoals praktijkondersteuners en mondhygiënisten zijn betrokken.
1. De verdere beoordeling door de Codecommissie
2.1.
De Codecommissie heeft in overweging 2.1. van het advies van 29 januari 2020 gesteld dat er vanuit het oogpunt van de Gedragscode twee ‘werkrelaties’ moeten worden bezien: de sponsorrelatie tussen [X] als patiëntenorganisatie en vergunninghouder(s) en de schenkingsrelatie tussen vergunninghouders(s) en beroepsbeoefenaar. De eerste wordt beheerst door de paragrafen 6 en 5 van hoofdstuk VI van de Gedragscode, de tweede door paragraaf 2 van datzelfde hoofdstuk.
2.2.
Overweging 2.2., betrekking hebbende op de sponsorrelatie patiëntenorganisatie-vergunninghouder, geldt onverkort.
2.3.
Met betrekking tot de schenkingsrelatie geldt ten aanzien van een niet-beroepsbeoefenaar het volgende. Financiële relaties tussen een vergunninghouder en een niet-beroepsbeoefenaar kunnen in 2 groepen worden onderscheiden. Criterium is of de niet-beroepsbeoefenaar al of niet invloed heeft of kan hebben op het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van geneesmiddelen. Heeft de niet-beroepsbeoefenaar geen invloed op kort gezegd het voorschrijfgedrag, dan valt de financiële relatie, blijkens de toelichting op art. 6.5.2. van de Gedragscode buiten de werkingssfeer van de Gedragscode (zie art. 1.2) (‘groep 1’). Is die mogelijke invloed er wel, dan kan op basis van de cumulatieve voorwaarden van art. 6.5.2 worden bepaald of het kennelijk verkoopbevorderend doel afwezig is (‘groep 2’).
Met betrekking tot praktijkondersteuners is al eerder uitgemaakt dat zij behoren tot groep 2. Er is geen reden aan te nemen dat ten aanzien van mondhygiënisten anders zou moeten worden geoordeeld: hun ‘afstand’ tot de tandarts is niet wezenlijk anders dan die tussen praktijkondersteuner en huisarts.
Aan de hand van de cumulatieve voorwaarden moet nu worden bepaald of het verkoopbevorderend doel afwezig is. Naar het oordeel van de Codecommissie wordt aan voorwaarde a voldaan: die voorwaarde doet in de verte denken aan de voorwaarden a en b van art. 6.5.3., geldend voor beroepsbeoefenaren. De in voorwaarde b bedoelde beïnvloeding moet gelet op de beperkte economische waarde van het geschenk verwaarloosbaar worden geacht. Voorwaarde c lijkt op voorwaarde 6.5.3.e voor de beroepsbeoefenaren en de Codecommissie verwijst naar hetgeen daarover in het advies van 29 januari 2020 al is opgemerkt. Met betrekking tot voorwaarde d geldt hetgeen is opgemerkt bij voorwaarde 6.5.3.f. Voorwaarde e is identiek aan voorwaarde 6.5.3.h bij de beroepsbeoefenaren en de Codecommissie verwijst naar haar oordeel op dit onderdeel. Van een vergoeding als bedoeld in f is hier geen sprake; de waarde van het geschenk is zeer beperkt en ligt onder het voor beroepsbeoefenaren gehanteerde normbedrag.
De conclusie moet dus luiden dat in de zin van art. 6.5.2. wordt vermoed dat de financiële relatie valt onder artikel 6.5.1. onder a en dus geen (verboden) gunstbetoon is. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken die een weerlegging van het vermoeden opleveren.
2.4.
De conclusie kan luiden dat ook met betrekking tot de genoemde niet-beroepsbeoefenaren het voornemen van [X] niet in strijd is met de Gedragscode, indien in acht wordt genomen hetgeen hierboven in 2.2. en 2.3 is overwogen.
2. De kosten
Aan het uitbrengen van dit aanvullend advies zijn voor [X] geen kosten verbonden.
Aldus gedaan te Amsterdam op 24 maart 2020 door mr. C. Wallis, voorzitter.
ID:
AA19.069
Onderwerp(en):
Geschenken
Type beoordeling:
Advies
Uitspraak:
Voorwaardelijk positief
Instantie:
Codecommissie
Datum uitspraak:
24-03-2020
Het officiële document: