AA14.055 Online interactie platform

ADVIES (AA14.055) van de Codecommissie op het verzoek van [X] van 3 juli 2014 op de voet van artikel 59 van het Reglement van de Codecommissie en de Commissie van Beroep van de Stichting Code Geneesmiddelenreclame, uitgebracht door de voorzitter van de Codecommissie.

De Codecommissie heeft kennis genomen van de adviesaanvraag van [de heer Y], head Medical Science, van bovenvermelde datum.

De aanvraag

Verzoekster brengt diverse geneesmiddelen op de markt en wil de communicatie met en service aan beroepsbeoefenaren optimaliseren. Zij besteedt daarom veel aandacht aan digitale communicatie. Om deze goed op te kunnen zetten, aan de behoefte van de doelgroep aan te passen en te verbeteren, is het van belang dat zij onderzoek doet naar de ervaringen, verwachtingen en wensen van beroepsbeoefenaren. Hiertoe heeft zij een interactie platform ontwikkeld voor beroepsbeoefenaren. De inhoud bestaat uit webpresentaties met als doel om educatie te geven over ziektebeelden en behandelingen en specifieke informatie over geneesmiddelen van verzoekster. Soms bevatten de presentaties ook enige promotionele uitingen. De doelgroep voor de diverse vormen van deze communicatie zijn uitsluitend artsen.

Het online interactie platform wordt aangeboden via email of via printpost. Via een weblink kunnen artsen inloggen. Na afloop van de webpresentatie kunnen artsen ervoor kiezen om te stoppen of om daarna nog deel te nemen aan marktonderzoek. Zij krijgen daarvoor een oproep aan het begin en het eind van de webpresentatie, waarbij ook wordt aangegeven dat zij voor deelname aan het marktonderzoek een bepaalde vergoeding zullen krijgen. De vragen hebben betrekking op de inhoud van de webpresentatie, op de wijze waarop de digitale informatie wordt aangeboden en op het profiel, de praktijk en de ervaringen van en context waarin de betrokken arts werkt. De gegeven antwoorden worden op individueel niveau opgeslagen in een database. Deze laatste is aangemeld bij het College bescherming persoonsgegevens. Er wordt geen schriftelijke overeenkomst gesloten met de arts, die een marktonderzoek invult in verband met het feit dat het hier gaat om het invullen van een eenvoudige vragenlijst, waarvoor deze eis niet geldt. Voor deelname aan het onderzoek wordt een vergoeding gegeven. Dit varieert van een bedrag van 10 euro tot 20 euro in de vorm van bol.com bonnen, afhankelijk van de lengte van de vragenlijst en gebaseerd op het geldende uurtarief volgens de nieuwe CGR-code. Daarbij wordt uitgegaan van gemiddeld één minuut per vraag, waarbij uitsluitend de vragen in de categorie b en c als bedoeld op de bijlage bij de adviesaanvraag mee tellen.

Verzoekster wil graag duidelijkheid van de Codecommissie of het toelaatbaar is om het marktonderzoek vorm te geven en daarvoor te betalen zoals in de aanvraag omschreven. In dit verband stelt zij de volgende vragen:

Is het toelaatbaar om het marktonderzoek op de aangegeven wijze te koppelen aan een aangeboden interactieve webpresentatie nu verzoekster een legitiem en duidelijk doel heeft voor de verzameling van de gevraagde informatie en overigens de kennisvragen voor de bepaling van de hoogte van de vergoeding niet worden meegeteld?

Is het toelaatbaar om melding te maken van de mogelijkheid om deel te nemen aan dat marktonderzoek aan het begin én het einde van de webpresentatie, of dient dit uitsluitend na afloop daarvan te gebeuren?

Is de betaling van genoemde vergoeding voor deelname aan het marktonderzoek toegestaan en zo ja, mag de vergoeding worden verstrekt in de vorm van bol.com bonnen?

Maakt het voor de beantwoording van de vragen 1 t/m 3 verschil of het marktonderzoek digitaal wordt aangeboden op een ( voor niet-beroepsbeoefenaren afgesloten ) deel van de website over een specifiek geneesmiddel, waarop ook reclame voor dat geneesmiddel wordt gemaakt (die op zichzelf aan de CGR-code voldoet)?

Maakt het voor de beantwoording van de vragen 1 t/m 3 verschil of in het marktonderzoek zelf één of meer specifieke geneesmiddelen van verzoekster worden genoemd?

Maakt het voor de beantwoording van vraag 1 t/m 3 verschil of in het marktonderzoek zelf voor één of meer specifieke geneesmiddelen van verzoekster reclame wordt gemaakt (die op zichzelf aan de CGR-code voldoet)?

De beoordeling

De Codecommissie staat in het onderhavige advies in de eerste plaats voor de vraag of getoetst moet worden aan de bepalingen met betrekking tot premies, geschenken en andere voordelen ( artikel 6.2 van de Code ) of aan de specifieke bepalingen met betrekking tot dienstverlening en onderzoek met geregistreerde geneesmiddelen (artikel 6.3 van de Code). Deze vraag is daarom van belang omdat verzoekster in haar verzoekschrift verwijst naar een uitspraak van de Codecommissie van 14 mei 2014 (ALK/AT), waarin werd geoordeeld dat het niet geoorloofd is beroepsbeoefenaren een vergoeding of geschenk in het voortuitzicht te stellen als tegenprestatie voor het deelnemen aan een on-line kennistest. In deze uitspraak is getoetst aan artikel 6.2 en volgende.

In de zojuist genoemde uitspraak ging het om een kennistest die door de Codecommissie als reclame werd aangemerkt. In de test werd immers nadrukkelijk een geneesmiddel vermeld dat door de partij die de test in het leven riep, in de markt werd gezet. Dit kan niet op één lijn worden gezet met het marktonderzoek dat verzoekster denkt te doen. In dat onderzoek immers gaat het niet om een specifiek geneesmiddel. Veeleer gaat het er om verzoekster materiaal te doen krijgen waarmee zij beter kan bepalen op welke manieren zij de betreffende artsen het beste kan benaderen. De Codecommissie komt daarom in dit geval tot een andere conclusie. Er zal thans aan de bepalingen met betrekking tot dienstverlening getoetst moeten worden.

In artikel 6.3.1. is bepaald dat vergunninghouders er zorg voor dragen dat de honorering van beroepsbeoefenaren voor verleende diensten in een redelijke verhouding staat tot de door de beroepsbeoefenaren geleverde prestaties en dat met de verleende dienst geen andere binding tussen vergunninghouders en beroepsbeoefenaren ontstaat dan direct verband houdend met de verleende dienst. In de hierop volgende bepaling is vervolgens neergelegd dat de dienstverlening schriftelijk in één overeenkomst moet worden vastgelegd tenzij het gaat om een overeenkomst die enkel strekt tot het eenmalig invullen van eenvoudige vragenlijsten dan wel enquêteformulieren. Van dit laatste kan naar het oordeel van de Codecommissie worden uitgegaan, nu verzoekster ervan uit gaat dat de beantwoording van de vragen gemiddeld één minuut per vraag zal nemen. Er behoeft daarom niet verlangd te worden dat verzoekster een schriftelijke overeenkomst met de deelnemers aan zal gaan.

Op grond van artikel 6.3.3 dient de tegenprestatie in redelijke verhouding te staan tot de te verrichten werkzaamheden. De Codecommissie wil aannemen dat aan deze eis wordt voldaan, nu de vergoeding 10 tot 20 euro zal bedragen, afhankelijk van de lengte van de vragenlijst, en daarbij bovendien rekening zal worden gehouden met het geldende uurtarief volgens de Code. Dit houdt in dat de vergoeding niet meer zal bedragen dan €140,– per uur voor een medisch specialist en € 100,– per uur voor een huisarts.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de eerste vraag in bevestigende zin moet worden beantwoord. De Codecommissie ziet er voorts geen bezwaar in wanneer van te voren en na afloop van de webpresentatie opnieuw wordt medegedeeld dat men aan het marktonderzoek kan deelnemen.

De derde vraag kan bevestigend worden beantwoord, mits de eerder genoemde grenzen in acht worden genomen. De Code kent geen bepalingen die specifiek zien om de aard van de vergoeding, anders dan dat deze in geld of in natura kan geschieden, in redelijke verhouding moet staan tot de geleverde dienst en transparant moet zijn. De Codecommissie wijst er evenwel op dat, ook in de gevallen waarin de Gedragscode niet uitdrukkelijk voorziet, er toch sprake kan zijn van een ongewenste beïnvloeding van het voorschrijfgedrag, waarbij vergunninghouders en beroepsbeoefenaren op grond van artikel 4.3 van de Gedragscode zich van die handeling dienen te onthouden. Bij de vraag of het voorschrijfgedrag op oneigenlijke wijze wordt beïnvloed, moet niet alleen op de omvang maar ook op de vorm van de honorering worden gelet. Tegen de vergoeding in de vorm van bol.com bonnen in plaats van een vergoeding in geld ziet de Codecommissie in het onderhavige geval geen bezwaren.

De vierde tot en met zesde vraag moeten naar het inzicht van de Codecommissie als volgt worden beantwoord. Zolang het daadwerkelijk om dienstverlening gaat mag de informatievergaring ook over specifieke geneesmiddelen gaan. Maar zodra er reclame wordt gemaakt voor (andere) geneesmiddelen of de informatievergaring vindt plaats in de context van een reclame-uiting, ontstaat een andere binding tussen de vergunninghouder en beroepsbeoefenaar dan direct verband houdend met de verleende dienst, hetgeen op grond van artikel 6.3.1 niet in lijn is met de Gedragscode. In dat geval zullen deze vragen in negatieve zin moeten worden beantwoord.

De kosten

De Codecommissie bepaalt dat de aan deze adviesaanvraag verbonden kosten aan verzoekster separaat in rekening zullen worden gebracht.

Aldus gedaan te Amsterdam op 28 juli 2014 door mr. P.A. Offers, voorzitter.

ID:

AA14.055

Onderwerp(en):

Dienstverlening, Eisen aan informatie

Type beoordeling:

Advies

Uitspraak:

Deels positief, deels negatief

Instantie:

Codecommissie

Datum uitspraak:

28-07-2014

Het officiële document:

Print deze uitspraak