AA10.076 Donatie webapplicatie
Op 24 augustus 2010 is het volgende advies (A10.076) gegeven.
1. Het verzoek:
X heeft een verzoek gedaan om nader advies inzake een voorgenomen project dat zij reeds eerder aan de Codecommissie had voorgelegd en waarop een negatief advies is gevolgd onder nummer A10.007 d.d. 16 februari 2010. Een samenvatting van haar eerdere verzoek d.d. 26 januari 2010 zal hieronder worden weergegeven.
X is voornemens de ontwikkeling en bouw van een webapplicatie te financieren. Zij stelt daartoe het volgende: “De applicatie, bedoeld voor de poliklinische apotheek (politheek), heeft tot doel zaken als zorgprotocollering, medicatieveiligheid, therapietrouw en optimalisatie van het contact tussen de patiënt, specialist, apotheker en eerstelijnszorgverlener op een overzichtelijke manier te registreren, ordenen en integreren.
Verschillende (groepen) medicijnen vereisen elk hun eigen ondersteuning en begeleiding. De patiëntenpopulatie waar de politheek mee te maken heeft maakt gebruik van medicijnen die veel begeleiding vereisen en heeft een minder sterke band met de politheek dan met de eigen reguliere apotheek. Om dit op te vangen gebruiken politheken veel begeleidingsprogramma’s en is er intensief overleg met specialisten verbonden aan het ziekenhuis van de politheek. In het veld bestaat behoefte deze additionele informatie te bundelen. De te ontwikkelen webapplicatie heeft tot doel dit te faciliteren.”
De applicatie wordt zo opgezet dat er per medicijnengroep een module kan worden ingericht. X zal naast de algemene applicatie ook een reeds ingerichte module binnen de applicatie aanbieden, die geschikt is voor de groep Y-geneesmiddelen, welke geneesmiddelen vooral worden gebruikt bij ziekte Z. Met de module kan de politheek de gehele zorg rond Y-geneesmiddelen (ongeacht merk) integreren en optimaliseren. In de toekomst kunnen soortgelijke modules voor andere geneesmiddelengroepen worden ontwikkeld.
Met het project zijn ontwikkelings- en licentiekosten gemoeid, tezamen begroot op € 162.000 (eenmalig) en € 28.200 per jaar aan onderhoudskosten. X wil eerstgenoemde kosten voor haar rekening nemen alsmede de onderhoudskosten voor de eerste twee jaren. X heeft als bedrijf ook interesse in de met behulp van de applicatie te verkrijgen gegevens en kan daarmee inzicht krijgen in de behoeften van de markt, reden waarom zij de ontvangende partij vraagt deze in geanonimiseerde vorm ter beschikking van haar, X, te stellen.
X verzocht destijds advies over de toelaatbaarheid van de donatie van de applicatie aan de Vereniging A, die de belangen bundelt van enkele tientallen poliklinische apotheken.
Tot zo ver het eerdere verzoek van X. Thans dient zij een nieuwe adviesaanvraag in met betrekking tot hetzelfde project, echter voorzien van een nieuwe resp. uitvoeriger toelichting. Op die aanvullende argumenten zal de Codecommissie hieronder ingaan.
2. Het oordeel van de Codecommissie:
In haar eerdere advies heeft de Codecommissie allereerst overwogen dat de voornemens van X zijn te kwalificeren als een vorm van sponsoring waarop de Gedragsregels Sponsoring – hierna “de Gedragsregels” – onverkort van toepassing geacht moeten worden. Het plan impliceert immers het door X als vergunninghouder verlenen van op geld waardeerbare ondersteuning aan een samenwerkingsverband van beroepsbeoefenaren, te weten een vereniging van apothekers. De in artikel 2.2 van de Gedragsregels genoemde uitzonderingsgevallen doen zich in dit geval niet voor. Tot zo ver het vorige advies.
Deze overweging wordt door X niet bestreden; uit de nieuwe adviesaanvraag is af te leiden dat X zelf er ook van uitgaat dat de Gedragsregels Sponsoring op haar project van toepassing zijn.
Sponsoring dient aan een aantal criteria te worden getoetst, met name die welke in artikel 5 van de Gedragsregels zijn opgenomen, criteria die betrekking hebben op de kwalitatieve aspecten van de voorgenomen ondersteuning en de financiering daarvan.
Zo wordt als eis gesteld, onder meer, dat de voorgenomen activiteiten niet of niet volledig op andere wijze dan door sponsoring worden gefinancierd.
Met betrekking tot dit laatste vereiste is eerder het volgende overwogen (citaat hieronder cursief weergegeven). ““In de adviesaanvraag is over mogelijke (andere vormen van) financiering niets gesteld of op andere wijze gebleken, anders dan het voornemen om de ontwikkeling en de bouw van de webapplicatie voor rekening van X te nemen. Dit is opmerkelijk, omdat het in de rede ligt te veronderstellen dat apothekers zelf zorg dragen voor de financiering van een informatiesysteem dat de essentie van hun onderneming(en) raakt, te weten een systeem voor het registreren van gegevens betreffende het veilig en verantwoord gebruik van geneesmiddelen. X stelt in de aanvraag onder meer dat zij poliklinische apothekers wil faciliteren “in het optimaliseren van hun dagelijkse activiteiten. Momenteel ontbreekt het de doelgroep aan een instrument om zaken als zorgprotocollering, medicatieveiligheid, therapietrouw en optimalisatie van het contact tussen de patiënt, specialist, apotheker en eerstelijnszorgverlener op structurele wijze aan te bieden.” De Codecommissie gaat ervan uit dat de doelgroep, poliklinische apothekers, in beginsel zelf – uit hoofde van hun ondernemerschap – over voldoende financiële middelen beschikken om deze doelstellingen te realiseren, ook waar het webapplicaties betreft. Dit zijn de middelen die naar het oordeel van de Codecommissie primair in aanmerking behoren te komen om voor dit doel te worden ingezet. Dit alles geldt temeer nu de poliklinische apotheek zich in het algemeen zal bewegen in een segment van de markt – zoals door klinisch specialisten voor te schrijven farmaceutische spécialités – waar een niet onaanzienlijk rendement mag worden verondersteld.
Gelet op het bovenstaande vermag de Codecommissie dan ook niet in te zien waarom de poliklinische apotheek afhankelijk zou moeten zijn van gesponsorde financiering om de bovengenoemde doelstelling te verwezenlijken. De te investeren geldbedragen zijn bovendien van zodanige (beperkte) omvang dat deze, verdeeld over tenminste een 40 tal leden, door die leden zelf voor hun rekening kunnen worden genomen: per apotheek, gemiddeld, eenmalig enkele duizenden euro’s en voor onderhoud enkele honderden euro’s per jaar””.
In de nieuwe adviesaanvraag is nu het volgende ter onderbouwing aangevoerd. Onbedoeld kan de indruk zijn ontstaan dat het plan een applicatie betreft die eigenlijk tot het standaard instrumentarium van de (poliklinische) apotheker zou behoren. De software applicatie betreft een “Keten Informatie Systeem” (KIS) oftewel een webbased communicatieprogramma met als doel: optimale en veilige uitvoering van Regionale, Transmurale Ketenzorg voor medische specialistische care programma’s. Het is een systeem dat kan worden ingezet om de verschillende partijen die betrokken zijn bij het voorschrijven, afleveren en toedienen van een geneesmiddel met elkaar te kunnen laten communiceren. Dit in het belang van nauwe samenwerking tussen voorschrijver, toediener en apotheker. De patiënt krijgt de mogelijkheid in contact te treden met de behandelaars en ook zelf informatie aan hen door te geven. Uitgangspunt daarbij is dat de patiënt centraal staat. Een systeem als dit heeft aanvullende waarde bijvoorbeeld bij Y-geneesmiddelen, hetgeen in de aanvraag verder is toegelicht, maar is ook bruikbaar voor andere groepen geneesmiddelen.
Kenmerk van het voorgestelde systeem is o.a. dat de apotheek als regievoerder eigenaar zal zijn van alle data en protocollen en verantwoordelijk zal zijn voor de communicatie naar zorgverleners en patiënt. B is eigenaar en beheerder van de software, het platform waar o.a. de Y-module kan worden ondergebracht. X betaalt voor de ontwikkeling en stelt het platform ter beschikking als basis voor de Y-module.
Het systeem is niet een algemeen toepasbaar systeem dat voor standaard
medicatiebewaking kan worden ingezet, maar is een applicatie die speciaal bedoeld is voor groepen geneesmiddelen waarbij meerdere partijen zijn betrokken en directe communicatie tussen dezen zal leiden tot betere zorg. Aldus X in haar nadere toelichting.
De Codecommissie heeft uiteraard het nadere betoog van X meegewogen en acht zich voldoende geïnformeerd over de beschreven voornemens, met name over de toepassing ervan ten behoeve van alle betrokken zorgverleners en de patiënt, alsmede de mogelijkheid de basisapplicatie te benutten voor verscheidene groepen geneesmiddelen waarvan de Y-geneesmiddelen de eerste groep vormen. De commissie is evenwel van oordeel dat de aanvullende informatie niet kan leiden tot een positief advies. De beslissende overweging hierbij is dat onvoldoende gebleken is – en ook niet aannemelijk is – dat de ontvangende partij(en), de deelnemende apothekers, zelf niet in staat zouden zijn de hier aan de orde zijnde taken uit eigen middelen te financieren. Het tegendeel is ook niet met zoveel woorden door X gesteld; zij voert alleen aan dat de kosten voor de apothekers zeer hoog zijn.
Het belang van dit oordeel wordt nog eens onderstreept door de aard van de taken die hier aan de orde zijn. Daarover nog het volgende. De omstandigheid dat hier sprake is van een communicatieplatform voor alle betrokken partijen – voorschrijvers, afleveraars, toedieners en ontvangers van een geneesmiddel – , doet niet af aan het feit dat de apotheker hierbij een centrale rol vervult in die zin dat hij bij uitstek degene is die zicht heeft (en in ons systeem van zorg zicht behoort te hebben) op de beschikbaarheid van een geneesmiddel voor de patiënt en diens ervaringen daarmee.
Zoals eerder overwogen ligt op dit terrein een kerntaak van de apotheker, evenzeer als dit in andere marktsegmenten of bij andersoortige geneesmiddelen het geval is. X memoreert zelf al de regiefunctie van de apotheker, welke functie in het algemeen ook door de apothekers zelf in de publiciteit steeds wordt beklemtoond.
De Codecommissie acht het onjuist de apotheker juist op dit terrein van kerntaken financieel te laten faciliteren door middel van sponsoring zijdens de industrie, nu de apotheker geacht moet worden zelf in staat te zijn de uitoefening van deze taak op andere wijze – te weten uit de exploitatie van zijn bedrijf – te financieren. In zoverre voldoet het voornemen van X dan ook niet aan de Gedragsregels Sponsoring, met
name onderdeel c van artikel 5.1. Zoals hierboven al opgemerkt is niet aannemelijk dat de kosten van het voorgestelde systeem zo hoog zijn dat een reguliere bedrijfsmatige financiering onmogelijk zou zijn.
De investering beloopt enkele duizenden euro’s per apotheek, eenmalig voor de in meerdere modules toepasbare basisapplicatie, alsmede enkele honderden euro’s per jaar voor onderhoud. Uit de kostenspecificatie is voorts af te leiden dat de eventuele toepassing voor afzonderlijke modules als Y een bedrag van € 12.000 aan ontwikkelingskosten zou vergen, althans een bedrag in die orde van grootte, zodat ook dit door de A-leden zelf op te brengen zou zijn. Dit alles krijgt nog meer gewicht indien, zoals X stelt, ook aan stadsapothekers het gebruik van het systeem zal worden aangeboden, zodat de kosten door meer bedrijven dan de eerder genoemde veertig A leden kunnen worden gedeeld.
Gelet op het bovenstaande oordeel zou de Codecommissie aan de overige
vraagpunten niet meer behoeven toe te komen; niettemin en volledigheidshalve wordt hieronder nog het volgende overwogen.
In het voorgaande advies is overwogen dat het systeem afbreuk zou kunnen doen aan de onafhankelijkheid van de apotheker, met name gelet op de verplichting van laatstgenoemde om X periodiek van de daarmee te verkrijgen gegevens te voorzien.
Nu deelt X mee dat de betreffende informatie alleen zou dienen voor de evaluatie van het systeem en dat, om de schijn van beïnvloeding te vermijden, zij de terugkoppeling via de ontwikkelaar van het systeem wil laten lopen; X zal dus geen geaggregeerde data ontvangen. De Codecommissie is van mening dat op dit onderdeel voldoende aan
de eerdere bezwaren wordt tegemoetgekomen.
Tenslotte deelt X mee dat de toegang tot en het gebruik van het systeem en de wederzijdse verplichtingen die daaruit voortkomen zullen worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst (met de betrokken apothekers, zo blijkt uit het verband van haar betoog). Aannemende dat deze overeenkomst zal voldoen aan het gestelde in par. 6 van de Gedragsregels Sponsoring zou de strijdigheid met de gedragsregels in
zoverre worden weggenomen. De conclusie moet luiden dat op één belangrijk onderdeel de bezwaren van de Codecommissie blijven bestaan, zodat op dat punt wederom negatief moet worden geadviseerd.
3. De kosten:
De Codecommissie bepaalt dat de aan deze adviesaanvraag verbonden kosten separaat aan verzoekster in rekening zullen worden gebracht.
Aldus gedaan te Gouda op 24 augustus 2010 door mr. M. de Boer, voorzitter.
ID:
AA10.076
Onderwerp(en):
Sponsoring
Type beoordeling:
Advies
Uitspraak:
Positief
Instantie:
Codecommissie
Datum uitspraak:
24-08-2010
Het officiële document: