AA09.005 Aanwezigheid niet-beroepsbeoefenaren

Op 19 februari 2009 is het volgende advies (A09.005) gegeven.

1. Het verzoek:

X heeft zich tot de Codecommissie gewend met het verzoek om advies uit te brengen over een aantal
voornemens met betrekking tot haar jaarlijkse wetenschappelijk congres te houden in Amsterdam van 28 juni
2009 tot 1 juli 2009.
Het lidmaatschap van X staat open voor alle betrokkenen in het veld van reproductive medicine and science,
onder wie artsen, wetenschappers, studenten en ondersteunend zorgpersoneel zoals gespecialiseerde
verpleegkundigen en laboratoriummedewerkers. X heeft meer dan 5000 leden afkomstig uit ruim 100 landen.
Het gaat in dit geval om een wetenschappelijk congres gedurende drie dagen, voorafgegaan door diverse
cursussen op dag 1. Het volledige programma is met de adviesaanvraag aan de Codecommissie toegezonden.

Het congres wordt financieel ondersteund – en moet wel financieel worden ondersteund – door tal van bedrijven
waaronder enkele farmaceutische bedrijven / vergunninghouders. Dit gebeurt op verscheidene met name
omschreven manieren, te weten:
a. Het huren van een stand in de tentoonstellingsruimte. Daar kunnen zij zichzelf en hun producten presenteren.
Voor het huren van de stand worden marktconforme tarieven gehanteerd, die voor alle bedrijven gelijk zijn en
zijn vastgesteld door het congresbureau van de RAI. Aan standhouders wordt de voorwaarde opgelegd dat er
uitsluitend Engelstalig materiaal aanwezig is.
b. Het plaatsen van een advertentie in het programmaboekje. Hiervoor wordt aan alle adverteerders een tarief
gerekend dat voor alle bedrijven gelijk is en overeenstemt met de tarieven die bij voorgaande edities van het
congres zijn gehanteerd. Uitsluitend Engelstalige advertenties zijn toegestaan.
c. Het distribueren van (reclame)materiaal in de congrestassen. Hiervoor wordt aan alle adverteerders een tarief
gerekend die ieder jaar en voor alle bedrijven gelijk is. Uitsluitend Engelstalige advertenties zijn toegestaan.
d. Het organiseren van een separate sessie. Hieraan wordt de voorwaarde gesteld dat er geen
productgerelateerde presentaties worden gegeven.

Verzoekster wijst erop dat mogelijk een zeer beperkt aantal deelnemers uit Nederland aanwezig zal zijn die geen
beroepsbeoefenaar zijn in de zin van de Gedragscode Geneesmiddelenreclame. In verband daarmee heeft men
het congres zo georganiseerd dat die mogelijke aanwezigheid aan de betrokkenheid van farmaceutische
bedrijven niet in de weg lijkt te staan. Om zekerheid te verkrijgen over de toelaatbaarheid van de gekozen opzet
stelt X aan de Codecommissie een aantal vragen. Deze luiden als volgt:

Vraag 1 Is de Codecommissie het met ons eens dat
– er sprake is van standhuur tegen marktconforme tarieven en dat het mogelijk moet zijn dat doordat er
uitsluitend Engelstalig materiaal aanwezig is, ook Nederlandse niet-beroepsbeoefenaren de standruimte
kunnen bezoeken?
– het programmaboekje ook beschikbaar kan zijn voor Nederlandse niet-beroepsbeoefenaren mogelijk
is,
– congrestassen ook aan Nederlandse niet-beroepsbeoefenaren ter beschikking kunnen worden
gesteld, nu alle adverteerders hetzelfde marktconforme tarief betalen en uisluitend Engelstalig materiaal is
toegestaan?
– de door bedrijven georganiseerde separate sessies ook kunnen worden bezocht door Nederlandse
niet-beroepsbeoefenaren, nu er geen productgerelateerde presentaties worden gegeven.

Vraag 2
Als u het met één of meerdere van deze punten niet eens bent, gaat u dan akkoord met de navolgende –
verdergaande – voorwaarden:
1.
De Nederlandse niet-beroepsbeoefenaren zal de toegang tot de stands van de farmaceutische
bedrijven worden ontzegd. Dit zal in het programmaboekje worden aangegeven. De betreffende bedrijven
zullen de instructie krijgen om geen reclame te maken richting deze groep.
2.
De Nederlandse niet-beroepsbeoefenaren krijgen een aangepast programmaboekje en een
aangepaste congrestas.
De door bedrijven georganiseerde separate sessies zullen niet toegankelijk zijn voor de Nederlandse niet
beroepsbeoefenaren.
Verzoekster stelt dat, mocht de Codecommissie negatief adviseren, de Nederlandse niet-beroepsbeoefenaren
niet tot het congres zouden kunnen worden toegelaten, hetgeen een merkwaardige en onwenselijke
consequentie van de Nederlandse regelgeving zou zijn, die moeilijk uit te leggen is aan de internationale
deelnemers.

2. Het oordeel van de Codecommissie:

Op grond van artikel 59 van het Reglement kan iedere belanghebbende verzoeken een advies te geven omtrent
de verenigbaarheid van een voorgenomen handelswijze met de bepalingen van de Gedragscode. X is een
samenwerkingsverband van (o.m.) beroepsbeoefenaren dat het congres organiseert, zulks met het voornemen
daarvoor financiële ondersteuning van vergunninghouders te vragen, welke ondersteuning wordt gereguleerd
door onder meer de Gedragscode Geneesmiddelenreclame. Als zodanig is verzoekster aan te merken als
belanghebbende in de zin van de Code en is zij ontvankelijk in haar verzoek.
Voorts kan worden gezegd dat hier sprake is van een wetenschappelijk congres als bedoeld in artikel 7 aanhef
en sub b van de “Uitwerking Normen Gunstbetoon”. Dit blijkt uit het aan de Codecommissie toegezonden
programma, waaruit tevens (expliciet dan wel impliciet) is af te leiden dat aan de daarbij gestelde voorwaarden
wordt voldaan.

De Gedragscode is van toepassing – heel kort gezegd – indien en voor zover sprake is van reclame voor
geneesmiddelen en/of gunstbetoon door vergunninghouders aan beroepsbeoefenaren. Dit is in beiderlei opzicht
het geval. Van reclame voor geneesmiddelen is sprake in de vorm van de presentatie en promotie van producten
van farmaceutische bedrijven in stands, in advertenties en in het uit te delen schriftelijk reclamemateriaal. [De
Codecommissie gaat er in het hierna volgende van uit dat de reclame in de meeste of alle gevallen betrekking
heeft op UR-geneesmiddelen]. Van gunstbetoon is sprake in die zin, dat bedrijven aan verzoekster betalingen
doen voor door haar, verzoekster, te plaatsen advertenties van die bedrijven en/of hun producten in het
programmaboekje zodat verzoekster daaruit inkomsten ten behoeve van haar congres genereert. Verder zullen
genoemde bedrijven separate sessies organiseren, maar daaraan wordt volgens verzoekster de beperkende
voorwaarde gesteld dat daarbij geen productgerelateerde presentaties worden gegeven.

De Codecommissie overweegt allereerst dat op het huren door vergunninghouders van stands in de
tentoonstellingsruimte de Gedragsregels Sponsoring niet van toepassing zijn indien de huur, zoals in dit geval
wordt gesteld, geschiedt tegen marktconforme tarieven (artikel 2.2 van die gedragsregels). Er moet daarom van
worden uitgegaan dat dit onderdeel van de plannen in overeenstemming is met de bestaande regelgeving.
Voorts is de Codecommissie van oordeel dat, analoog aan de situatie met betrekking tot standhuur, het plaatsen
van advertenties in het programmaboekje, tegen tarieven die voor alle vergunninghouders gelijk zijn en die zijn
te beschouwen als redelijk en niet bovenmatig ten opzichte van de aan die vergunninghouders geboden faciliteit,
een geoorloofde wijze van sponsoring inhouden. Of zulke advertenties in de Engelse dan wel in de Nederlandse
taal zijn gesteld, acht de Codecommissie in beginsel niet van belang voor de beantwoording van de vraag of de
plaatsing en verspreiding in overeenstemming is met de Gedragscode.

Zoals verzoekster terecht opmerkt, is de eventuele aanwezigheid van anderen dan beroepsbeoefenaren in dit
verband van belang. Daaromtrent wordt het volgende overwogen.
Krachtens artikel 85 juncto artikel 1 aanhef en sub ijij van de Geneesmiddelenwet is reclame voor UR
geneesmiddelen verboden indien deze reclame, “gezien haar inhoud en de wijze waarop zij wordt geuit,
kennelijk ook voor anderen dan beroepsbeoefenaren (…) is bestemd”. Het verbod berust derhalve op de wet,
niet (althans niet alleen) op de Gedragscode. De controle op de naleving ervan is opgedragen aan de Inspectie
voor de Gezondheidszorg. In laatste instantie stelt de rechter zo nodig vast of een gegeven situatie al of niet in
overeenstemming is met de wet. De Codecommissie is dan ook niet bevoegd de door verzoekster omschreven
situatie te toetsen aan de wet.

Dit gezegd zijnde, kunnen wel enkele aanvullende opmerkingen worden gemaakt ten aanzien van de
voorgenomen aanwezigheid van niet-beroepsbeoefenaren op het congres van X. De Codecommissie leidt uit de
adviesaanvraag de volgende feiten en omstandigheden af:
1. de reclame van de zijde van vergunninghouders op stands en in programmaboekjes en congrestassen
is gelet op de aard en inhoud daarvan bestemd voor beroepsbeoefenaren die lid zijn van X, althans
niet kennelijk bestemd voor anderen dan laatstgenoemden;
2. het aantal uit Nederland afkomstige niet-beroepsbeoefenaren op het congres is zeer beperkt (voor
cijfers zie hieronder);
3. deze groep van niet-beroepsbeoefenaren bestaat in meerderheid uit leden van X zijnde
wetenschappers (niet-artsen), verpleegkundigen, studenten en laboratoriummedewerkers;
4, er vindt – behoudens aankondiging op de website X.com – geen wervende activiteit buiten X plaats
teneinde niet-beroepsbeoefenaren die geen lid zijn van X tot deelname aan het congres te bewegen.

Ervan uitgaande dat de feitelijke omstandigheden aldus juist zijn weergegeven en X zich daaraan conformeert,
komt het de Codecommissie voor dat er vooralsnog geen aanleiding is te veronderstellen dat hierbij sprake zal
zijn van ongeoorloofde publieksreclame voor receptplichtige geneesmiddelen. De reclame is immers, gelet op de
inhoud en de wijze waarop deze wordt geuit, niet kennelijk voor anderen dan beroepsbeoefenaren bestemd,
althans het tegendeel is niet gesteld of gebleken.

Uit de hiervoor omschreven feiten valt bovendien af te leiden dat de aanwezige minderheid van (uit Nederland
afkomstige) niet-beroepsbeoefenaren deel uitmaakt van een omvangrijk internationaal verband van leden die
werkzaam zijn op het gebied dat door X wordt bestreken, te weten specialisme Y en Z. De genoemde
minderheid is klein en valt daarbij welhaast in het niet, zoals blijkt uit de volgende cijfers. In voorgaande jaren
werd de annual meeting van X door 5000 à 6500 deelnemers bezocht; in 2008 waren er 6532 deelnemers van
wie 332 uit Nederland afkomstig. Van die 332 waren 187 deelnemers lid van X (van wie 79 niet
beroepsbeoefenaren).

Verzoekster heeft met nadruk gesteld dat het congres is gewijd aan de wetenschappelijke ontwikkelingen op het
gebied van specialisme Y en Z, op tientallen met name genoemde deelterreinen, waaruit blijkt dat (behandeling
met) geneesmiddelen slechts een klein onderdeel van dit zeer uitgebreide vakgebied vormt en dat bij zeer veel
onderwerpen onvermijdelijk ook niet-voorschrijvers betrokken zijn. Het uitsluiten van deze groepen van
deelname zou enorm afbreuk doen aan de intentie van de bijeenkomst en de doelstelling van de vereniging,
aldus verzoekster. De Codecommissie kan deze stelling in de gegeven omstandigheden onderschrijven.
Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die zouden kunnen wijzen op strijdigheid met het voorschrift dat
reclame zodanig moet plaatsvinden dat het rationele gebruik van geneesmiddelen wordt bevorderd. Met name
zijn er geen aanwijzingen dat, als gevolg van geneesmiddelenreclame, het voorschrijven van geneesmiddelen
op indirecte wijze zouden kunnen worden beïnvloed.
Voorts lijkt er vooralsnog geen reden te zijn om bovenbedoelde beperkte groep van niet-beroepsbeoefenaren de
toegang tot separate sessies van vergunninghouders te ontzeggen, ervan uitgaande dat daar geen
productgerelateerde reclame wordt gemaakt.

Kortom, de Codecommissie komt tot de voorlopige conclusie dat er in dit bijzondere geval onvoldoende redenen
zijn de door X bedoelde categorie aanwezigen beperkingen op te leggen in dier voege dat zij zeker materiaal niet
zouden mogen ontvangen of niet tot alle activiteiten van de vereniging toegelaten zouden mogen worden. Dit
geldt temeer voor de deelnemers die lid zijn van X. Een dergelijke uitzonderingsbehandeling van Nederlandse
deelnemers te midden van duizenden buitenlandse deelnemers valt op een internationaal congres als het
onderhavige bezwaarlijk in te passen zonder het effect van pijnlijke en onbegrijpelijke bevoogding. Zulk een
beperking van persoonlijke vrijheden lijkt bovendien niet of moeilijk te rijmen met fundamentele rechten
voortvloeiend uit het Nederlandse recht en/of Europese verdragen.

De Codecommissie geeft verzoekster in overweging de Inspectie voor de Gezondheidszorg vooraf in te lichten
over haar voornemens en eventueel haar advies te vragen over de thans aan de orde gestelde vraagpunten.
Ten overvloede wijst de Codecommissie erop dat de farmaceutische bedrijven (vergunninghouders) bij uitstek
verantwoordelijk zijn voor de naleving van de regels voor zover deze voortvloeien uit de Gedragscode. Immers,
X noch de niet-beroepsbeoefenaren zijn aan deze regels gebonden. Wel mag van X worden verwacht dat zij
alles doet wat mogelijk is om die naleving te bewerkstelligen en financiële ondersteuning door de bedrijven van
die naleving afhankelijk te stellen.

Samenvattend, adviseert de Codecommissie – voor zover zij daartoe bevoegd is – positief met betrekking tot de
in vraag 1 omschreven voornemens. Vraag 2 behoeft daarom niet meer te worden beantwoord.

3. De kosten:

De Codecommissie bepaalt dat de aan deze adviesaanvraag verbonden kosten separaat aan X in rekening
zullen worden gebracht.
Aldus gedaan te Gouda op 19 februari 2009 door mr. M. de Boer, voorzitter.

ID:

AA09.005

Onderwerp(en):

Eisen aan reclame, Publieksreclame, Samenkomsten in Nederland

Type beoordeling:

Advies

Uitspraak:

Positief

Instantie:

Codecommissie

Datum uitspraak:

19-02-2009

Het officiële document:

Print deze uitspraak