6.5. Specifieke bepalingen met betrekking tot bepaalde andere financiële relaties dan gunstbetoon

6.5.1 Financiële relaties anders dan gunstbetoon

De volgende financiële relaties van een vergunninghouder vallen in ieder geval buiten het begrip gunstbetoon ex artikel 3.1 onderdeel j:

  1. Relaties met anderen dan beroepsbeoefenaren als bepaald in artikel 6.5.2;
  2. Sponsoring van projecten als bepaald in artikel 6.5.3;
  3. Het (mede) mogelijk maken van wetenschappelijke prijzen als bepaald in artikel 6.5.4.

Op grond van de Geneesmiddelenwet mogen alleen beroepsbeoefenaren gunstbetoon ontvangen binnen de kaders van onderdelen a tot en met d van art. 94 en de Beleidsregels gunstbetoon Geneesmiddelenwet 2018. Dit is nader vormgegeven in paragrafen 6.1 tot en met 6.4 van de Gedragscode. Gunstbetoon richting niet-beroepsbeoefenaren is verboden; voor deze groep bestaan immers geen wettelijke uitzonderingsgronden. Niettemin kunnen aan hen geld of op geld waardeerbare goederen in het vooruitzicht worden gesteld, worden aangeboden of toegekend, voor zover dat niet het kennelijke doel heeft het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van een geneesmiddel te bevorderen. Bij de beoordeling of dat ‘kennelijke verkoopbevorderend doel’ inderdaad afwezig is, moet worden bekeken in hoeverre de begunstigde invloed heeft of kan hebben op het voorschrijven, de terhandstelling en gebruik van geneesmiddelen, en naar het doel en de omvang van de begunstiging (zie art. 6.1.2 van de Gedragscode). Uitsluitend indien deze afweging leidt tot de constatering dat geen sprake is van een kennelijk verkoopbevorderend doel, zoals hiervoor beschreven, valt de begunstiging niet onder het verbod op gunstbetoon en is de begunstiging dus toegestaan.

Er zijn ook andere financiële relaties waarbij beroepsbeoefenaren en niet-beroepsbeoefenaren zijn betrokken die niet vallen onder de wettelijke uitzonderingsgronden voor gunstbetoon. Bijzondere categorieën zijn sponsoring van zorgactiviteiten en -projecten en het (mede) mogelijk maken van wetenschappelijke prijzen. Ook deze financiële relaties zijn alleen toegestaan als wordt vastgesteld dat het kennelijk verkoopbevorderend doel ontbreekt.
In deze paragraaf wordt voor deze drie categorieën relaties een kader gegeven met cumulatieve voorwaarden waarbij wordt vermoed dat het kennelijk verkoopbevorderend doel ontbreekt. De Beleidsregels gunstbetoon Geneesmiddelenwet 2018 geven deze cumulatieve voorwaarden voor sponsoring, die in art. 6.5.3 van de Gedragscode zijn overgenomen. Art. 6.5.2 stelt in navolging hiervan cumulatieve voorwaarden voor financiële relaties met niet-beroepsbeoefenaren en art. 6.5.4 voor het (mede) mogelijk maken van wetenschappelijke prijzen.

Financiële relaties die vergunninghouders aangaan met derden buiten de gezondheidszorg waarbij geen sprake is van een directe of indirecte betrokkenheid bij of invloed op het voorschrijven, ter hand stellen en/of gebruiken van geneesmiddelen (zie onder de werkingssfeer van de Gedragscode, artikel 1.2), vallen geheel buiten het bereik van de Gedragscode.

6.5.2 Relaties met niet-beroepsbeoefenaren

Indien wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden, wordt vermoed dat een financiële relatie van een vergunninghouder met anderen dan beroepsbeoefenaren valt onder artikel 6.5.1 onder a:

  1. de relatie dient een gezondheidsbelang of behoort anderszins tot het normale rechtsverkeer;
  2. de relatie leidt er niet toe dat de begunstigde direct of indirect wordt beïnvloed om het voorschrijven, ter hand stellen of (eerder, huidig of potentieel toekomstig) gebruik van geneesmiddelen van de vergunninghouder te bevorderen;
  3. de aard en inhoud van de relatie gaan niet verder dan noodzakelijk om het onder a. beoogde doel te bereiken;
  4. de relatie vindt op integere, eerlijke en transparante wijze plaats, waarbij de aard (c.q. de uitvoering), het doel en de omvang van de financiële relatie vooraf schriftelijk in een overeenkomst worden vastgelegd;
  5. de relatie leidt niet tot aantasting van de onafhankelijkheid, betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de begunstigde, noch van andere betrokken partijen en van de sector; en
  6. de hoogte van de (op geld waardeerbare) vergoeding van de relatie blijft beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is en gaat niet verder dan hetgeen geldt voor vergelijkbare financiële relaties met beroepsbeoefenaren uit hoofde van paragrafen 6.2, 6.3 en 6.4.

Artikel 6.5.2 voorziet in cumulatieve voorwaarden waarbij wordt vermoed dat het kennelijk verkoopbevorderend doel bij een financiële relatie tussen vergunninghouder en een niet-beroepsbeoefenaar afwezig is. Het zijn inhoudelijke voorwaarden die afhankelijk van de potentiële invloed die de niet-beroepsbeoefenaar heeft op het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van geneesmiddelen, moeten worden ingevuld. Eerst zal moeten worden vastgesteld of de niet-beroepsbeoefenaar invloed heeft of kan hebben op het voorschrijven, ter hand stellen of gebruik van geneesmiddelen. Als dat niet het geval is, dan valt de financiële relatie met deze niet-beroepsbeoefenaar buiten de werkingssfeer van de Gedragscode (zie art. 1.2). Indien er wel sprake is van een niet-beroepsbeoefenaar met een mogelijke invloed op het voorschrijven, ter hand stellen of gebruik van geneesmiddelen, kan op basis van de cumulatieve voorwaarden van art. 6.5.2 worden bepaald of het kennelijk verkoopbevorderend doel inderdaad afwezig is. Bij deze groep niet-beroepsbeoefenaren kan worden gedacht aan zorgverleners die bij het verstrekken van geneesmiddelen zijn betrokken maar geen bevoegdheid hebben geneesmiddelen voor te schrijven of af te leveren (zoals praktijkondersteuners, zie ter illustratie adviesoordelen A15.109 en A16.068), aan zorgprofessionals die zijn betrokken bij de diagnosestelling (zoals klinisch chemici, klinisch genetici, klinisch moleculair biologen, pathologen en microbiologen (zie bijvoorbeeld adviesoordelen A15.039, A17.019 en A17.080)), aan onderzoekers (zie bijvoorbeeld adviesoordeel A16.071), aan bestuurders van zorginstellingen, zorggroepen of zorgverzekeraars en aan vertegenwoordigers van patiëntenorganisaties.
Relaties met deze niet-beroepsbeoefenaren zijn bijvoorbeeld dienstverleningsovereenkomsten waarvoor een bepaald honorarium wordt betaald of het (al dan niet via een derde partij) verlenen of vergoeden van gastvrijheid tijdens een nascholingsbijeenkomst. Voor het verlenen van gastvrijheid bij wetenschappelijke bijeenkomsten worden verpleegkundigen die in de uitoefening van hun beroep in opdracht van een arts geneesmiddelen toedienen of verstrekken, beschouwd als beroepsbeoefenaar (zie art. 6.4.2 van de Gedragscode).

Hieronder volgt een nadere toelichting op de voorwaarden.

Ad a. De relatie dient een gezondheidsbelang
Deze voorwaarde betreft het doel van de financiële relatie (zie art. 6.1.2 onderdeel b). Van belang is dat deze een gezondheidsbelang dient dan wel behoort tot het normale rechtsverkeer. Het is een voorwaarde die ook geldt voor relaties met beroepsbeoefenaren, zoals:

  • de voorwaarde voor een dienstverleningsovereenkomst dat deze in het belang dient te zijn voor de uitoefening van de geneeskunst, de farmacie, de tandheelkunst, de verpleegkunst of de verloskunst;
  • de voorwaarde voor bijeenkomsten dat het inhoudelijke (wetenschappelijke) programma het hoofddoel dient te zijn van de samenkomst.

Ad b. De relatie leidt niet tot beïnvloeding van de begunstigde om de verkoop van geneesmiddelen van de sponsor te bevorderen
Deze voorwaarde bepaalt dat de financiële relatie niet mag leiden tot beïnvloeding van de begunstigde, met het kennelijke doel de verkoop van een geneesmiddel te bevorderen. Uiteraard kan de financiële relatie leiden tot een zekere ‘spin off’, zoals een grotere naamsbekendheid en/of beter imago van een vergunninghouder. Het direct of indirect koppelen van geld of op geld waardeerbare diensten of goederen aan het inkopen of adviseren van bepaalde geneesmiddelen is uit den boze. Iedere (schijn van) beïnvloeding met het kennelijke doel de omzet van een geneesmiddel te bevorderen, zoals de betrokkenheid van marketing van vergunninghouders, moet worden vermeden. Voor het aanbieden van een nascholing (incl. gastvrijheid) is van belang dat de samenkomst geen (in)directe aanprijzing betreft (zie adviesoordelen A14.039 en A17.056 en het verbod op publieksreclame ex art. 5.6.1). Deelname aan een manifestatie – waarbij een kennelijk verkoopbevorderend doel wordt aangenomen – is dan ook niet toegestaan.

Ad c. De aard en inhoud gaan niet verder dan het beoogde doel te bereiken
Op basis van deze voorwaarde dient de noodzakelijkheid en redelijkheid van de financiële relatie te worden getoetst (vergelijk met voorwaarde e. van art. 6.5.3). Als bijvoorbeeld niet vaststaat dat de aanwezigheid van (bepaalde) niet-beroepsbeoefenaren bij een bijeenkomst voor beroepsbeoefenaren zinvol is voor de kennisuitwisseling, dan bestaat voor het aanbieden van gastvrijheid aan deze niet-beroepsbeoefenaren geen rechtvaardiging.

Ad d. De relatie vindt op integere en transparante wijze plaats en wordt schriftelijk vastgelegd
Deze voorwaarde stelt dat de financiële relatie vooraf dient te worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst, met de daaraan gekoppelde vereisten (overeenkomstig art. 6.3.2 voor dienstverleningsovereenkomsten en art.6.4.4 onderdeel a voor sponsoring van bijeenkomsten respectievelijk art. 6.4.6 lid 3 voor de individuele vergoeding van gastvrijheidskosten).

Ad e. De relatie leidt niet tot aantasting van de onafhankelijkheid, betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de begunstigde en andere betrokkenen
Deze voorwaarde betreft de essentie dat moet worden voorkomen dat vergunninghouders en niet-beroepsbeoefenaren bij hun onderlinge verkeer zich op onoorbare wijze jegens elkaar verplicht zouden voelen. Bij een rechtstreekse vergoeding van bijvoorbeeld reis- en/of verblijfkosten aan een niet-beroepsbeoefenaar voor deelname aan een bijeenkomst, zal de niet-beroepsbeoefenaar zich eerder onoorbaar verplicht voelen richting de vergunninghouder dan wanneer de bijdrage voor de deelname loopt via de instelling waaraan de niet-beroepsbeoefenaar verbonden is of wanneer de sponsoring vanuit het bedrijfsleven verloopt via een onafhankelijke congresorganisator. Als de vergoeding afkomstig is van meerdere vergunninghouders, komt dat de onafhankelijkheid van de financiële relatie ten goede. Waar het verder om gaat is dat de integriteit, de onafhankelijkheid en het imago van alle betrokken partijen niet in het geding komen.

Ad f. De hoogte van de vergoeding blijft beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is en gaat niet verder dan vergelijkbare relaties met beroepsbeoefenaren
Op grond van deze voorwaarde mogen financiële relaties met niet-beroepsbeoefenaren wat betreft de vergoeding niet verder gaan dan strikt noodzakelijk en in ieder geval binnen de normen die gelden voor relaties met beroepsbeoefenaren op grond van paragrafen 6.2 tot en met 6.4. Dat betekent onder meer dat de vergoedingen dienen te beantwoorden aan de uitgangspunten die ook voor beroepsbeoefenaren gelden. In geval van een dienstverleningsovereenkomst dient de hoogte van het honorarium te passen binnen het systeem van maximum uurtarieven voor de verschillende categorieën zorgprofessionals zoals die op grond van art. 6.3.3 zijn vastgesteld. Geboden gastvrijheid dient beperkt te blijven tot hetgeen strikt noodzakelijk is voor deelname aan de bijeenkomst (zie ter illustratie adviesoordelen A16.068, A16.071 en A17.019). Bepalingen binnen paragrafen 6.2 tot en met 6.4 die specifiek zien op beroepsbeoefenaren (zoals art. 6.2.3 en 6.2.4) en de meer procedurele verplichtingen (zoals art. 6.4.9) gelden niet voor de relaties met niet-beroepsbeoefenaren.

6.5.3 Sponsoring

Indien wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden, wordt vermoed dat sponsoring van een project door een vergunninghouder valt onder artikel 6.5.1 onder b:

  1. de sponsoring heeft betrekking op innovatieve en/of kwaliteitsverbeterende activiteiten;
  2. de sponsoring heeft de directe of indirecte verbetering van zorg aan patiënten of de bevordering van de medische wetenschap tot doel;
  3. de sponsoring wordt in beginsel verstrekt aan rechtspersonen waarbij zowel beroepsbeoefenaren als anderen betrokken kunnen zijn;
  4. de sponsoring verplicht op generlei wijze het voorschrijven, ter hand stellen of (eerder, huidig of potentieel toekomstig) gebruik van geneesmiddelen van de vergunninghouder;
  5. de aard en inhoud van de relatie gaan niet verder dan noodzakelijk om het onder b. beoogde doel te bereiken en financiert geen kosten die op andere reguliere wijze aan de begunstigde (kunnen) worden vergoed;
  6. de sponsoring vindt op integere, eerlijke en transparante wijze plaats, waarbij de aard, het doel en de omvang vooraf schriftelijk in een overeenkomst worden vastgelegd;
  7. de sponsoring mag geen prestatieplicht van de begunstigde vereisen, met uitzondering van naamsvermelding van de vergunninghouder;
  8. de sponsoring mag niet leiden tot aantasting van de onafhankelijkheid, betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de begunstigde noch van andere betrokken partijen en van de sector.

Deze Gedragscode is niet van toepassing op sponsoring van wetenschappelijk onderzoek dat valt onder de reikwijdte van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO) of het Normenkader niet-WMO-plichtig onderzoek, zoals deze voor de Nederlandse situatie gelden. De WMO en het Normenkader niet-WMO-plichtig onderzoek hebben onder meer betrekking op de wetenschappelijke deugdelijkheid van het onderzoek, een positief oordeel van een erkende medisch-ethische toetsingscommissie, regels betreffende de bescherming van de betrokken persoon (toestemming, privacy) en de redelijkheid van de betaalde vergoedingen.

Sponsoring van een bijeenkomst of manifestatie wordt beoordeeld onder artikel 6.4.4.

In het kader van dit artikel wordt voor alle vormen van ondersteuning de term “sponsoring” gebruikt, ongeacht of er sprake is van een tegenprestatie en de kwalificatie die partijen er zelf aan geven. Dat betekent bijvoorbeeld dat het verstrekken van een bepaald geldbedrag voor een project zonder dat daar enige tegenprestatie tegenover staat (‘donatie’ of ‘grant’), in het kader van artikel 6.5.3 ook als sponsoring wordt beschouwd.

Artikel 6.5.3 bevat overeenkomstig de beleidsregels gunstbetoon Geneesmiddelenwet 2018, cumulatieve voorwaarden met betrekking tot sponsoring.

Ad a. Innovatieve en/of kwaliteitsverbeterende zorg
Met deze voorwaarde komt tot uitdrukking dat sponsoring is toegestaan indien zij is gericht op “extra” zaken: innovatieve en/of kwaliteitsverbeterende activiteiten die zonder sponsoring niet of moeizaam van de grond zouden komen. Of een (zorg)activiteit voor eventuele sponsoring geschikt is, moet telkens aan de hand van de omstandigheden van het geval worden bepaald. Het tijdsgewricht is daarbij een belangrijke, maar voortdurend veranderende factor. Voortschrijdend inzicht en ontwikkelingen in de praktijk moeten goed in het oog worden gehouden. Immers, een bepaalde (zorg)activiteit kan op moment X voor sponsoring in aanmerking komen, maar zoveel navolging krijgen dat men kan spreken van een ‘best practice’. Daarmee gaat deze activiteit tot de reguliere zorg behoren. Sponsoring zal dan alleen nog zijn toegestaan indien aannemelijk kan worden gemaakt dat voor deze reguliere zorg geen of geen volledige reguliere financiering voorhanden is (zie onder ad c).

Ad b. Verbetering van zorg aan patiënten of bevordering van medische wetenschap
In artikel 6.5.3.b is bepaald dat sponsoring directe of indirecte verbetering van zorg aan patiënten of bevordering van de medische wetenschap tot doel moet hebben. Alleen als aannemelijk kan worden gemaakt dat uiteindelijk de patiënt langs directe of indirecte weg baat kan hebben bij de sponsoring of door de sponsoring de wetenschap kan worden gediend, is deze toegestaan. Overigens zal vrijwel altijd aan deze eis zijn voldaan als het gaat om een innovatieve of kwaliteitsverbeterende activiteit zoals bedoeld in art. 6.5.3.a.
Ter illustratie: het sponsoren van een laptop waarmee patiëntjes op de afdeling Kinderoncologie op afstand kunnen communiceren met hun omgeving kan op indirecte wijze de zorg verbeteren en het sponsoren van onderzoek naar een zeldzame genetische afwijking worden gezien als een bijdrage aan de medische wetenschap die op termijn de zorg en dus de patiënt ten goede kan komen.

Ad c. de sponsoring wordt in beginsel verstrekt aan rechtspersonen
Artikel 6.5.3 is van toepassing op sponsoring van projecten van samenwerkingsverbanden van beroepsbeoefenaren, zoals maatschappen of andere rechts- of samenwerkingsvormen, waarin beroepsbeoefenaren actief zijn. Te denken valt aan stichtingen opgericht door artsen ter bevordering van nascholingsactiviteiten, zorggroepen of samenwerkende huisartsen met of zonder apothekers. Het mag gaan om projecten van “informele” samenwerkingsverbanden, mits aan de zijde van de ontvanger van de sponsoring meer dan één arts of apotheker verantwoordelijk is. FT(T)O’s zijn expliciet uitgezonderd, omdat het Bestuur van de CGR het niet wenselijk acht dat FT(T)O’s worden gesponsord door vergunninghouders. Ook het geval waarin een project op verzoek van een individuele beroepsbeoefenaar wordt gesponsord en de feitelijke betaling van de sponsorgelden geschiedt aan de instelling die als werkgever van de beroepsbeoefenaar optreedt, zijn de sponsorregels van artikel 6.5.3 van toepassing. Indien de sponsoring een individuele beroepsbeoefenaar ten goede komt, wordt over het algemeen een kennelijk verkoopbevorderend oogmerk aangenomen en dient deze derhalve te worden beoordeeld op basis van paragrafen 6.2 tot en met 6.4 van de Gedragscode (zie onder andere adviesoordeel A16.037). Een uitzondering hierop betreft de sponsoring van een medisch promovendus die beperkt blijft tot de drukkosten van een proefschrift; daarvan mag worden aangenomen dat er geen sprake is van een kennelijk verkoopbevorderend oogmerk met ongewenste beïnvloeding van iemands voorschrijfgedrag, doch van een ondersteuning die tot het normale rechtsverkeer behoort.

Ad d. geen verplichting tot het voorschrijven, ter hand stellen of (eerder, huidig of potentieel toekomstig) gebruik van geneesmiddelen
De sponsoring valt buiten het verbod op gunstbetoon voor zover deze niet het kennelijke doel heeft het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van een geneesmiddel te bevorderen. Derhalve is van belang dat de sponsoring niet verplicht tot het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van bepaalde geneesmiddelen.

Ad e. de aard en inhoud van de relatie gaan niet verder dan noodzakelijk om het beoogde doel te bereiken en financiert geen kosten die op andere reguliere wijze aan de begunstigde (kunnen) worden vergoed
Vragen of geven van ondersteuning mag niet zijn ingegeven door persoonlijk winstbejag of rechtstreekse commerciële doeleinden. Deze voorwaarde houdt nauw verband met de algemeen geformuleerde integriteitseis van sub h. Zie de uitspraak van de Commissie van Beroep in zaken B15.004/B15.03. De enkele omstandigheid dat sponsoring op enig moment kan leiden tot een persoonlijk of commercieel voordeel, staat de toelaatbaarheid niet per se in de weg. Waar het om gaat is dat zowel de vrager als gever van ondersteuning tot primair oogmerk hebben om de zorg aan patiënten te verbeteren dan wel de medische wetenschap vooruit te helpen.
Wanneer voor de activiteiten waarvoor sponsoring wordt gevraagd reguliere financiering bestaat (door bijvoorbeeld overheid, zorgverzekeraar, instelling en/of subsidiegever), betekent sponsoring additionele financiering, die tot een besparing leidt en dus mogelijk tot bevoordeling van de gesponsorde. In die gevallen is sponsoring niet toegestaan. Zie ter illustratie adviesoordeel A10.076 van 24 augustus 2010 en de uitspraak van de Codecommissie in zaak K15.004. Sponsoring is wel toegestaan als er geen, of slechts voor een deel reguliere financiering bestaat. Het sponsorbedrag mag slechts de niet door reguliere financiering gedekte kosten betreffen. De vergunninghouder-sponsor dient te motiveren waarom het project niet uit reguliere en/of vergoede zorg kan worden gefinancierd.
Zaken die behoren tot de normale praktijk- of bedrijfsvoering moeten uiteraard door de betrokken hulpverlener of instelling zelf worden gefinancierd (bijvoorbeeld de vervanging van een verouderd computersysteem of de inrichting van de praktijkruimte). Ondersteuning voor de aanschaf, onderhoud etc. van dergelijke zaken zou rechtstreeks leiden tot een besparing en dus een bevoordeling van de gesponsorde. Ook bijvoorbeeld de financiering van regulier gefinancierde arbeidsplaatsen moet onder dit artikel worden meegenomen. Als, bijvoorbeeld van overheidswege, budget beschikbaar is voor reguliere praktijkondersteuning bij huisartsen of voor de betrokken activiteit door de NZa een prestatiebeschrijving is vastgesteld, kan hiervoor geen sponsoring door een vergunninghouder worden verkregen.

b
Afspraken omtrent sponsoring moeten, voorafgaand aan de sponsoring, schriftelijk in een overeenkomst worden vastgelegd. De overeenkomst dient in ieder geval een precieze omschrijving van het te sponsoren project/activiteit (doel en inrichting van het project, eventuele start- en stopcriteria) en van de rechten en verplichtingen van alle betrokken partijen te bevatten, inclusief financiële onderbouwing. Ook in geval van een donatie is het van belang om een en ander schriftelijk vast te leggen, zoals bijv. het doel van de donatie en het feit dat er geen tegenprestatie tegenover staat.
Dit betekent onder andere dat de selectie van gesponsorden dient plaats te vinden op basis van transparante, objectief-inhoudelijke criteria (zie Commissie van Beroep in zaak B15.004 van 22 februari 2016, par. 4.9.1).

Ad g: de sponsoring mag geen prestatieplicht van de begunstigde vereisen, met uitzondering van naamsvermelding
(Financiële) ondersteuning kan mogelijk leiden tot onoorbare beïnvloeding. Ter waarborging van de onafhankelijkheid van de uitvoering moet voorkomen worden dat de begunstigde een prestatieplicht wordt opgelegd. Hiervan is uitgezonderd dat de sponsor mag verlangen dat zijn naam wordt vermeld.
Sponsoring onderscheidt zich hierbij van dienstverlening. In geval van dienstverlening (of opdrachtovereenkomst) is sprake van een tweezijdige handeling (aanbod en aanvaarding, wederkerigheid) waarbij partijen over en weer een afdwingbare prestatieplicht hebben. Bij sponsoring is sprake van een eenzijdige handeling, waarbij er geen prestatieplicht voor de gesponsorde geldt om het gesponsorde project ook uit te voeren. Dat wil niet zeggen dat de vergunninghouder geen voorwaarden (in de vorm van bepaalde tegenprestaties) aan de sponsoring mag stellen. Sponsoring zal vaak gericht zijn op het verrichten van activiteiten binnen een bepaald project waarover de gesponsorde (periodiek) een zekere verantwoording dient af te leggen (in de vorm van een rapportage, presentatie, verslag of bijeenkomst van deskundigen). De uitvoering van het gesponsorde project is daarbij echter niet of beperkt afdwingbaar. Indien niet wordt voldaan aan de sponsorvoorwaarden, zal de sponsoring op een lager bedrag of zelfs op nihil kunnen worden vastgesteld en zou terugvordering kunnen plaatsvinden op basis van onverschuldigde betaling.

Ad h: de sponsoring mag niet leiden tot aantasting van de onafhankelijkheid, betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de betrokken partijen en van de sector
Deze voorwaarde vraagt waarborgen met betrekking tot een onafhankelijke uitvoering van het gesponsorde project. Degenen die bij de uitvoering van het project zijn betrokken, dienen onafhankelijk te zijn en mogen niet in dienst zijn van de vergunninghouder-sponsor (zie onder andere adviesoordelen A14.110, A16.053). Betrokkenen bij de uitvoering mogen door de vergunninghouder-sponsor worden betaald, mits de onafhankelijkheid contractueel is vastgelegd en geborgd. Eventuele contacten tussen de vergunninghouder-sponsor en de gesponsorden dienen beperkt te blijven tot hetgeen noodzakelijk en gerechtvaardigd is voor de uitvoering van het project, zoals noodzakelijke trainingen of informatie-verstrekking over bijvoorbeeld farmacovigilantieverplichtingen (zie onder andere adviesoordeel A16.092). Dit geldt tevens voor (het vastleggen van) de afspraken over (tussentijdse) evaluatie (wanneer, hoe en aan wie).
Indien het project door meerdere sponsors wordt ondersteund, komt dit de onafhankelijkheid ten goede. Een bewuste beperking tot één sponsor kan de onafhankelijkheid van de gesponsorde in gevaar brengen en is dus niet toegestaan. Wel kan in het kader van een specifiek kortlopend project (bijv. ondersteuning van een pilotproject voor een bepaalde innovatieve vorm van zorg) exclusiviteit worden afgesproken. Structurele exclusiviteit moet echter worden voorkomen.

6.5.4 Wetenschappelijke prijzen

Onder een wetenschappelijke prijs wordt verstaan het toekennen van geld of op geld waardeerbare goederen of diensten voor een zorgverbeterende en/of medisch-wetenschappelijke prestatie waarmee de begunstigde zich heeft onderscheiden van andere gegadigden. Indien wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden, wordt vermoed dat de bijdrage aan een wetenschappelijke prijs valt onder artikel 6.5.1 onder c:

  1. de zorgverbeterende en/of medisch-wetenschappelijke prestatie wordt beoordeeld door een onafhankelijke deskundige jury;
  2. de onafhankelijkheid van de wetenschappelijke prijs in relatie tot de vergunninghouder die de wetenschappelijke prijs (mede) mogelijk maakt, is gewaarborgd;
  3. de bijdrage van de vergunninghouder vindt op integere, eerlijke en transparante wijze plaats en wordt vooraf schriftelijk vastgelegd;
  4. de bijdrage van de vergunninghouder leidt niet tot aantasting van de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de betrokken partijen en van de sector;
  5. de bijdrage van de vergunninghouder leidt niet tot beïnvloeding van het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van geneesmiddelen of anderszins tot het zich onoorbaar jegens elkaar verplicht voelen;
  6. de omvang van het geld of de op geld waardeerbare goederen of diensten staat in redelijke verhouding tot het doel van de wetenschappelijke prijs.

Het onderwerp van de wetenschappelijke prijs is van groot belang om het kennelijke verkoopbevorderende doel vast te stellen. Bij een prijs in de vorm van prijsvraag, prijswedstrijd of quiz kan het kennelijke verkoopbevorderende doel worden aangenomen, ook al betreft het een wetenschappelijk onderwerp. Ook indien met de prijs (in)direct reclame wordt gemaakt voor recept-geneesmiddelen, kan het kennelijk verkoop-bevorderend doel daarvan worden aangenomen.
De Gedragscode staat het sponsoren van een prijs van bijvoorbeeld een wetenschappelijke vereniging die ziet op een daadwerkelijke (in)directe verbetering van de zorg aan patiënten of op de bevordering van de medische wetenschap, niet in de weg. Daarbij dient wel de objectiviteit en onafhankelijkheid van de prijs voldoende te zijn gewaarborgd. Voor de objectiviteit van de prijs moet in de eerste plaats worden gekeken naar inhoud van de prestatie die de prijsdeelnemers moeten leveren. Deze dient zorgverbeterend en/of medisch-wetenschappelijk te zijn en te worden beoordeeld door een deskundige jury. De prestatie kan bijvoorbeeld bestaan uit een wetenschappelijke voordracht of een posterpresentatie. Van beroepsbeoefenaren mag qua inhoud van de prestatie meer worden verwacht dan van niet-beroepsbeoefenaren die zich buiten de zorgverlening begeven. Verder mogen van de prijsdeelnemers geen andere prestaties worden verlangd, dan de prestatie voor het meedingen naar de prijs.

In de tweede plaats dient de onafhankelijkheid van de prijs te worden geborgd door de winnaar te laten selecteren door een van de vergunninghouder onafhankelijke jury. Daarvan kan worden uitgegaan als de prijs wordt uitgereikt door (en uit naam van) een derde partij (bijvoorbeeld een wetenschappelijke vereniging), die onafhankelijk van de vergunninghouder op basis van het oordeel van een deskundige jury de winnaar selecteert. De onafhankelijkheid kan ook worden geborgd door het ontbreken van een koppeling (ook indirect) tussen de prijs en de bedrijfsnaam van de vergunninghouder of als tenminste drie bedrijfsnamen aan de prijs zijn verbonden.

Uit het oogpunt van transparantie is het wenselijk dat de bedrijfsnaam van de vergunninghouder bij de aankondiging en uitreiking wordt gecommuniceerd, tenzij het uit hoofde van de onafhankelijkheid wenselijk is dat de bedrijfsnaam niet (in)direct aan de prijs wordt gekoppeld.

De bijdrage mag er niet toe leiden dat er ongewenste beïnvloeding plaatsvindt van het voorschrijven, afleveren of gebruiken van een geneesmiddel. Hierbij is van belang of de (beoogde) prijswinnaar een collectief van (niet)beroepsbeoefenaren of een individu betreft. Bij een prijs aan een collectief zal minder snel sprake zijn van directe invloed op de omzet van een geneesmiddel dan aan een individu die invloed heeft op het proces van voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van geneesmiddelen. Dat vraagt een zorgvuldige waarborg van de onafhankelijkheid van de prijs.

Indien de omvang van de op geld waardeerbare prijs (de vergoeding) niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de prijs, kan – onafhankelijk van het onderwerp van de prijs – een kennelijk verkoopbevorderend doel worden aangenomen. De vergoeding dient dus redelijk te zin in relatie tot het onderwerp. Om de redelijkheid vast te stellen, kan worden aangesloten bij de normtarieven voor dienstverlening van de betrokken beroepsbeoefenaren. De redelijkheid van de vergoeding hangt ook samen met de bestemming die daaraan is gegeven. Indien het prijzengeld bijvoorbeeld een bijdrage aan een ziekenhuis betreft voor nader onderzoek naar een bepaalde ziekte of aandoening, dan kan een relatief hoog bedrag redelijk worden geacht. De regels inzake sponsoring (artikel 6.5.3 van de Gedragscode) zijn hier leidend. Indien de prijs wordt uitgereikt in de vorm van een geschenk, dan dient te worden voorkomen dat dit geschenk een promotioneel karakter heeft.

Zie onder andere Nieuwsbrief nr.10 van oktober 2014 en adviesoordelen A14.103, A15.117 en A16.093.

Print