AA09.033 Aanbieden serviceprogramma

Op 4 april 2009 is het volgende advies (A09.033) gegeven.

1. Het verzoek:

X is een openbare apotheek die tevens serviceprogramma’s ter begeleiding van (o.a.) Y-patiënten aanbiedt onder de naam “Z”. Het gaat daarbij om patiënten die het UR-geneesmiddel A gebruiken. Er bestaan twee verschillende Z-serviceprogramma’s, die kosteloos worden aangeboden, te weten een basisprogramma en een premium-programma. Het basisprogramma omvat uitleg door verpleegkundigen bij de patiënt thuis, terbeschikkingstelling van een informatielijn, informatiebrochures en bijeenkomsten voor Y-patiënten. De premium service omvat naast het bovenstaande ook een bezorgservice alsmede diverse activiteiten gericht op het welzijn van de patiënt, zoals regelmatig bezoek van een verpleegkundige en een speciaal voor Y-patiënten georganiseerd “wellbeing” evenement.

X is voornemens op een nog nader te bepalen datum voor de gebruikers van premium serviceprogramma Z een wellbeing evenement te organiseren zoals hiervoor bedoeld. Deze patiënten zijn hiervoor geen eigen bijdrage verschuldigd. De kosten worden vooralsnog geschat op € 26.730 ofwel € 153 per persoon. Een kopie van een programmaboekje uit 2008 is overgelegd. Dit programma nam een dag in beslag van 10.00 tot 17.15 uur, met een lezing, workshops en een lunch, en was geheel gewijd aan het leven met ziekte Y.
De sprekers hebben geen relatie met de fabrikant van geneesmiddel A of met X en deze hebben evenmin invloed op de inhoud van de voordrachten, aldus verzoekster. Er wordt op toegezien dat tijdens het evenement geen reclame voor geneesmiddel A wordt gemaakt en er zullen geen vertegenwoordigers van de fabrikant aanwezig zijn. Wel aanwezig zijn serviceprogramma Z verpleegkundigen, in dienst van X, voor vragen of inlichtingen.

X verzoekt de Codecommissie om beantwoording van de volgende vragen:

1. Staan de Gedragscode Geneesmiddelenreclame en/of de Code Publieksreclame voor geneesmiddelen en/of de bij deze codes behorende uitwerkingen, toelichtingen, richtlijnen en gedragsregels eraan in de weg dat X (als openbare apotheek) voor patiënten aan wie het receptgeneesmiddel A is voorgeschreven én die zich (succesvol) hebben aangemeld voor het ‘premium’ serviceprogramma Z het in deze adviesaanvraag beschreven well-being evenement organiseert?

2. Is voor de beantwoording van de onder a) genoemde vraag de omstandigheid relevant dat slechts patiënten voor het in deze adviesaanvraag beschreven well-being evenement worden uitgenodigd die zich (succesvol) hebben aangemeld voor het ‘premium’ Z-programma? Indien uw Commissie deze vraag bevestigend beantwoordt, kan uw Commissie dan tevens aangeven of het in deze aanvraag omschreven well-being evenement wel toelaatbaar is indien ook Y-patiënten die niet geneesmiddel A gebruiken en/of die zich niet voor het ‘premium’ serviceprogramma Z hebben opgegeven zich daarvoor zouden kunnen aanmelden?

3. Zijn de hoogte van de aan het in deze adviesaanvraag beschreven well-being evenement verbonden totale kosten en/of de kosten per persoon relevant voor de beoordeling van de onder a) genoemde vraag?
Indien uw Commissie deze vraag bevestigend beantwoordt, kunt u ook aangeven welke bedrag X maximaal in totaal en/of per persoon mag uitgeven?

4. Is de omstandigheid dat de patiënten geen eigen bijdrage verschuldigd zijn om aan voornoemd evenement te kunnen deelnemen relevant voor de beoordeling van de onder a) genoemde vraag? Indien uw Commissie deze vraag bevestigend beantwoordt, kunt u aangeven werk percentage van de kosten per deelnemer de deelnemers minimaal zelf zouden moeten dragen?

2. De beoordeling door de Codecommissie:

Ofschoon dit niet met zoveel woorden is gesteld, begrijpt de Codecommissie uit het betoog van verzoekster dat het programma voor het nog te organiseren wellbeing evenement identiek of soortgelijk is aan het programma van november 2008 waarvan een exemplaar met het verzoek is meegezonden. Dit programma bevat als meest markante onderdelen een plenaire lezing (11.20 – 12.30 uur) door een arts, getiteld “Het brein” en een tweetal workshops van elk een uur. De deelnemende patiënten kunnen kiezen uit 5 workshops met diverse onderwerpen die worden ingeleid door niet-beroepsbeoefenaren. Het samenzijn van lotgenoten en informatie over hoe te leven met ziekte Y krijgen in de loop van de dag ruime aandacht. Van al deze feiten zal de Codecommissie in het hierna volgende uitgaan.

Iedere belanghebbende kan de Codecommissie verzoeken een advies te geven omtrent de verenigbaarheid van zijn handelen met de bepalingen van de Gedragscode Geneesmiddelenreclame. Verzoekster is beroepsbeoefenaar, althans een rechtspersoon die beroepsbeoefenaren (apothekers) in dienst heeft. Zij is derhalve belanghebbende als hiervoor bedoeld en tevens zelf gebonden aan de regels van de Gedragscode. Zij
is dus ontvankelijk in haar verzoek en heeft terecht om advies verzocht.
Allereerst moet de vraag worden beantwoord of de bijeenkomst dan wel activiteiten die aldaar plaatsvinden kunnen worden aangemerkt als reclame voor een geneesmiddel. Dit is immers vóór alles bepalend voor het oordeel van de Codecommissie. Uit het programma blijkt dat de bijeenkomst geheel is gewijd aan het verstrekken van informatie over ziekte Y en de behandeling daarvan, en aan de begeleiding van Y-patiënten bij het inrichten van hun leven met deze ziekte. Te dezen kan worden verwezen naar de zgn. “Nadere Invulling van het onderscheid tussen reclame en informatie voor geneesmiddelen”; bij toetsing aan deze richtlijn lijkt de conclusie gewettigd dat de bijeenkomst slechts een informatief karakter heeft en derhalve geen reclame inhoudt.

De Gedragscode zelf bepaalt in Hoofdstuk I dat de Code niet van toepassing is op informatie betreffende de volksgezondheid of menselijke ziekten, “voor zover die geen verwijzing, zelfs niet indirect, naar een geneesmiddel bevat.”
In dit laatste ligt een probleem. De Codecommissie kan zich nauwelijks voorstellen dat een bijeenkomst als de onderhavige, bij uitstek bestemd voor gebruikers van het geneesmiddel A, geen frequente (directe en indirecte) verwijzingen naar A met zich meebrengt. Daaruit volgt reeds dat de kans dat tijdens het evenement niettemin reclame voor dat geneesmiddel plaatsvindt bepaald niet denkbeeldig is. Aangezien zoals gezegd alle deelnemers gebruikers zijn van geneesmiddel A, zullen reeds daarom presentaties en gedachtewisselingen onontkoombaar ook op dat geneesmiddel betrekking hebben. Informatie kan dan ook gemakkelijk – bewust of onbewust – een aanprijzend karakter krijgen en daarmee veranderen in reclame. Nu het gehoor bestaat uit niet-beroepsbeoefenaren, zou in zulk een geval bovendien sprake zijn van verboden publieksreclame (artikel 3 van de Code voor de Publieksreclame voor Geneesmiddelen). Blijkens de toelichting op het verzoek realiseert verzoekster zich dit zelf ook en heeft zij daarover contact gehad met de vergunninghouder (in casu kennelijk B), die tijdens de bijeenkomst niet aanwezig zal zijn. Het komt de Codecommissie voor dat dit een wijze beslissing is.

Het is dus van tweeën één: of de bijeenkomst impliceert (mede) reclame voor het UR-geneesmiddel, hetgeen verboden is – en op grond van de wet strafbaar is -, of bij betrachting van de allerhoogst denkbare graad van zorgvuldigheid is uitsluitend sprake van informatie, in welk geval de Codecommissie geen mogelijkheid heeft om de plannen van verzoekster verder aan de Code te toetsen. [Een inhoudelijke beoordeling van de te presenteren informatie behoort immers in het kader van dit advies achterwege te blijven]. In beide gevallen zou de Codecommissie het strikt genomen bij deze conclusie kunnen laten. Het navolgende moge echter dienen als aanvullende opmerkingen.

Een vraag kan zijn of een vergunninghouder financiële ondersteuning verleent aan de bijeenkomst en zo ja, of die ondersteuning mede een element van gastvrijheid en/of sponsoring bevat. [Gastvrijheid omvat kosten van inschrijving, reis- en verblijfkosten]. Desgevraagd heeft verzoekster aan de Codecommissie meegedeeld dat zij voornemens is de kosten van het evenement zelf te dragen “en deze te voldoen uit de marge die zij heeft bedongen bij de fabrikant”. Daarbij vraagt verzoekster zich af of de wijze waarop zij het evenement financiert relevant is voor de toelaatbaarheid ervan en of het verschil maakt als het evenement door de vergunninghouder afzonderlijk wordt gefinancierd. De Codecommissie overweegt daarover het volgende.
In geval van een voor dit evenement bestemde financiële bijdrage zouden voor de vergunninghouder de “Gedragsregels Sponsoring” van toepassing zijn. Ook is in dit verband mogelijk van belang artikel 22 van de Code inzake de ontoelaatbaarheid – behoudens kleine uitzonderingen – van het vragen of aannemen van geldelijke voordelen, welke bepaling bindend is voor beroepsbeoefenaren zoals verzoekster. In hoeverre in dit geval van de toepasselijkheid van het een of het ander sprake is kan uit de ontvangen informatie niet met zekerheid worden afgeleid. Hier moge volstaan de overweging dat de Gedragsregels Sponsoring het financieel ondersteunen door een vergunninghouder van een evenement als het onderhavige onder zekere voorwaarden toestaan De ondersteuning dient plaats te vinden jegens (onder meer) een samenwerkingsverband van beroepsbeoefenaren, in elk geval niet in de vorm van een bijdrage aan individuele beroepsbeoefenaren. De Codecommissie kan in dit verband de vennootschap van verzoekster aanmerken als samenwerkingsverband in bovenbedoelde zin.

Indien verzoekster heeft bedoeld te stellen dat het evenement middels haar normale bedrijfsexploitatie en uit haar eigen bedrijfsmiddelen wordt gefinancierd, moet worden geoordeeld dat zij in dat geval niet gebonden is aan de CGR regelgeving voor sponsoring en/of gunstbetoon.

Terugkomend op de vier concrete vragen van verzoekster, kan het oordeel van de Codecommissie als volgt worden samengevat.

Vraag a: neen, de regelgeving staat hieraan niet in de weg, zij het dat eventuele financiële ondersteuning resp. sponsoring door een fabrikant / vergunninghouder kan leiden tot beperkingen voor laatstgenoemde.

Vraag b: het antwoord op de vraag in de eerste volzin is ontkennend.

Vraag c: Indien geen financiële ondersteuning of sponsoring van dit evenement door een vergunninghouder plaatsvindt, is de hoogte van deze kosten niet relevant. Is dit wel het geval, dan kunnen restricties van toepassing zijn, met name uit hoofde van de Gedragsregels Sponsoring.

Vraag d: Het antwoord is neen, ervan uitgaande dat geen kosten van gastvrijheid door een vergunninghouder worden gedragen.

3. De kosten:

De Codecommissie bepaalt dat de aan deze adviesaanvraag verbonden kosten aan verzoekster separaat in rekening zullen worden gebracht.
Aldus gedaan te Gouda op 4 april 2009 door mr. M. de Boer, voorzitter.

ID:

AA09.033

Onderwerp(en):

Onderscheid reclame / informatie, Publieksreclame, Sponsoring

Type beoordeling:

Advies

Uitspraak:

Deels positief, deels negatief

Instantie:

Codecommissie

Datum uitspraak:

04-04-2009

Het officiële document:

Print deze uitspraak