AA09.054 Aanbieden van nascholing en e-learning
Op 20 juli 2009 is het volgende advies (A09.054) gegeven.
1. Het verzoek:
X is voornemens een geaccrediteerde vorm van nascholing (CME – Continuing Medical Education) aan te bieden. Het is X gebleken dat om zoveel mogelijk beroepsbeoefenaren nascholing te laten volgen, de nascholing tegen een zo laag mogelijk tarief moet worden aangeboden. Daarom wil X de door haar op te zetten nascholing laten sponsoren door vergunninghouders.
De door X aan te bieden online nascholing zal worden aangeboden in de vorm van e-learning met bijbehorend schriftelijk cursusmateriaal en bijbehorende toetsen die digitaal afgelegd kunnen worden. Nascholing en toetsing gebeuren aan de hand van een zogenaamde pretoets, instructies voor het doornemen van het schriftelijke cursusmateriaal en het maken van de bijbehorende vragen, waarna de cursus wordt afgesloten met een posttoets. De nascholing is geaccrediteerd en bij succesvolle voltooiing van de cursus ontvangen de deelnemers accreditatiepunten. Het schriftelijke cursusmateriaal voor deze nascholing wordt door de buitendienst van de sponsor aan de beroepsbeoefenaar uitgereikt. Dit zal bij het aanbieden van de cursus in het kader van transparantie vooraf duidelijk worden medegedeeld aan de beroepsbeoefenaars.
Gelet op het feit dat X deze vorm van nascholing wil laten sponsoren door vergunninghouders, en tevens gelet op het feit dat ook beroepsbeoefenaren gehouden zijn aan de Gedragscode, stelt X er prijs op en heeft zij er belang bij dat de Codecommissie een adviesoordeel afgeeft over de verenigbaarheid van deze vorm van nascholing met de Gedragscode.
De door X aan te bieden nascholing is niet gericht op aanprijzing van geneesmiddelen. Het cursusmateriaal zal altijd bestaan uit reeds bestaande, derhalve niet speciaal voor het doel van de nascholing geschreven, dan wel samengestelde, schriftelijke materialen, cd-rom’s en/of boeken. De inhoud van het cursusmateriaal komt dus onafhankelijk van X en/of de vergunninghouder tot stand, aldus de adviesaanvraag.
In de voorgestelde constructie wordt de beroepsbeoefenaar door de vergunninghouder indirect niet meer aangeboden dan een vergoeding van de inschrijfkosten (inclusief cursusmateriaal). Een en ander is volgens X in lijn met de Gedragscode en om die reden toelaatbaar.
Tot zover de aanvraag van X. Naar aanleiding van een soortgelijk verzoek heeft de Codecommissie al op 10 december 2008 geadviseerd (nummer A08.058). X heeft de onderhavige aanvraag opnieuw ingediend, met een nadere toelichting waaronder feiten welke bij indiening van het vorige verzoek niet bekend waren, althans niet
waren meegedeeld. Vandaar het verzoek aan de Codecommissie om hierover opnieuw een oordeel te geven.
2. Het oordeel van de Codecommissie:
In artikel 59 van het Reglement van de Codecommissie is bepaald dat iedere belanghebbende de Codecommissie om een advies kan verzoeken omtrent de verenigbaarheid van een eigen (voorgenomen) handelen of nalaten met de bepalingen van de Gedragscode Geneesmiddelenreclame (hierna “de Code”).
Ofschoon X niet is een vergunninghouder of beroepsbeoefenaar en zij derhalve zelf niet gebonden is aan de bepalingen van de Code, meent de Codecommissie niettemin dat zij, X – gelet op de omstandigheid dat zij actief wenst deel te nemen aan (rechts)handelingen met vergunninghouders en beroepsbeoefenaren – er belang bij heeft te vernemen of haar voornemens in overeenstemming zijn met de Code. X kan dus als belanghebbende in de zin van artikel 59 worden aangemerkt.
De Codecommissie zal de in het kader van de vorige adviesaanvraag reeds overgelegde stukken – met name de modelovereenkomst CME – in onderstaande beoordeling mede in aanmerking nemen.
De beschrijving door X van de plannen is hierboven geciteerd, zodat met betrekking tot de feiten in zoverre naar het bovenstaande mag worden verwezen. In aanvulling daarop is thans nog het volgende gesteld, kort
samengevat. Anders dan in het verleden werd verondersteld zullen de sponsors / vergunninghouders niet meewerken aan de samenstelling en totstandkoming van het cursusmateriaal dat X wil aanbieden. X zal een
wetenschappelijke cursus over een bepaald onderwerp, bijvoorbeeld ontwikkelingen op het terrein van de urologie, en voor een bepaalde groep beroepsbeoefenaren – in het voorbeeld: urologen – (laten) ontwikkelen en deze nascholingscursus vervolgens laten accrediteren. Pas daarna zal een geschikte vergunninghouder gezocht worden met de vraag om een financiële bijdrage, opdat de cursus kosteloos aan de doelgroep kan worden aangeboden.
De modelovereenkomst – bestemd voor het vastleggen van afspraken tussen vergunninghouders en X – houdt onder meer (en kort samengevat) in dat X de door haar ontwikkelde nascholingsmodule via haar webshop tegen betaling zal aanbieden aan de doelgroep (in het kader van dit advies kan hier om praktische redenen gelezen worden “beroepsbeoefenaren” als bedoeld in de Code), maar dat de vergunninghouder het middels een financiële bijdrage mogelijk zal maken deze module gratis aan te bieden aan (een deel van) de beroepsbeoefenaren. Het beloop van het geldbedrag is niet meegedeeld en is op dit moment om begrijpelijke redenen ook nog niet bekend, zo valt uit de adviesaanvraag af te leiden. De vergunninghouder heeft geen
invloed op de inhoud van de nascholingsmodule, aldus is in de overeenkomst vermeld; X verzorgt de inhoudelijke ontwikkeling. “De module wordt geaccrediteerd opgeleverd”. Artsen ontvangen een uitnodiging uit naam van X, met vermelding van de vergunninghouder als sponsor. Laatstgenoemde brengt het cursusmateriaal langs bij deelnemende artsen. “Indien het een nascholing betreft in combinatie met een e-toets zal bij starten van de toets de naam van (… vergunninghouder…) een paar seconden in beeld komen.” X verleent de
vergunninghouder exclusiviteit voor het gratis aanbieden van de module aan de in het contract nader te omschrijven doelgroep gedurende een nader te bepalen periode. Tot zo ver de modelovereenkomst.
X meent dat het langs deze weg, online, aanbieden van cursussen en het vergoeden van de deelname niet wezenlijk anders is dan het aanbieden van gastvrijheid in het kader van een traditionele nascholing op een daarvoor gereserveerde gezamenlijke fysieke locatie. Immers, het gaat ook bij online nascholing om vergoeding van inschrijvingskosten als bedoeld in de Uitwerking Normen Gunstbetoon. De vergunninghouder maakt het mogelijk dat deelname gratis is dankzij diens financiële bijdrage aan X, maar bepaalt niet aan welke doelgroep de nascholing wordt aangeboden. Het enige verschil met de traditionele nascholing is volgens X dat de cursus van achter het eigen bureau gevolgd wordt, kortom het is een moderne vorm van gastvrijheid van de zijde van
de vergunninghouder die slechts voordelen biedt voor de beroepsbeoefenaar. Tot zo ver de aanvullende stellingname van X.
De Codecommissie komt tot het volgende nadere oordeel.
De feiten zijn in zoverre aangevuld en verduidelijkt, dat ervan mag worden uitgegaan dat de vergunninghouder in inhoudelijk opzicht geen invloed of inbreng zal hebben in de totstandkoming van de nascholingscursussen. Dit brengt mee dat de kans op aanprijzende elementen in de cursus afwezig is althans gering moet worden geacht.
In het hierna volgende zal de Codecommissie er dan ook van uitgaan dat geen sprake zal zijn van reclame voor geneesmiddelen in de cursus zelf, maar dat eventuele reclame zich zal beperken tot naamsvermelding van de sponsor en dergelijke. Ook wil de Codecommissie aannemen dat X de cursus – met wetenschappelijke inbreng van ter zake kundige derden – zodanig zal voorbereiden, resp. zal laten voorbereiden, dat accreditatie daarvoor zal worden verleend en mede daardoor de wetenschappelijke aard en kwaliteit worden gewaarborgd.
De Codecommissie deelt de mening van X dat de online scholing in veel opzichten vergelijkbaar is met de traditionele nascholing in fysiek groepsverband. Sterker nog, de Codecommissie onderkent de voordelen die online nascholing te bieden heeft, zowel in organisatorisch als in financieel opzicht en staat daarom in beginsel positief ten opzichte van de door X ontwikkelde initiatieven. Uit de overwegingen in het eerdere advies blijkt reeds dat een vergelijking met de traditionele nascholingsbijeenkomsten voor de hand ligt. Daarmee is echter nog lang niet alles gezegd.
Zo moet worden geconstateerd dat in de thans geldende regels van en krachtens de Gedragscode Geneesmiddelenreclame geen gewag wordt gemaakt van online nascholing. Blijkbaar is met dit fenomeen geen rekening gehouden bij de totstandkoming van deze regels. Derhalve ligt het voor de hand bij de beoordeling van de voorliggende adviesaanvraag aansluiting te zoeken bij de bestaande regelingen.
X meent kennelijk dat hiervoor de regeling inzake gunstbetoon, met name die voor gastvrijheid, daarvoor het meest in aanmerking komt. Daarbij ziet zij echter over het hoofd enerzijds dat het begrip gastvrijheid slechts wordt gebezigd in nauwe samenhang met samenkomsten – zijnde wetenschappelijke of andere bijeenkomsten -, anderzijds dat de thans voorgestelde wijze van financiering volledig overeenkomt met het begrip sponsoring.
Over dit alles het volgende.
De Uitwerking Normen Gunstbetoon spreekt in artikel 4 uitdrukkelijk van “gastvrijheid in het kader van samenkomsten”, waarna gastvrijheid nader wordt gedefinieerd als het vergoeden of voor rekening nemen van reiskosten, verblijfkosten en inschrijvingskosten van een samenkomst (cursivering voorzitter). Daarbij wordt opgemerkt dat de kosten van inschrijving veelal een ondergeschikte rol spelen ten opzichte van de kosten voor de reis en het verblijf ter plaatse. Uit de toelichting bij de Uitwerking Normen Gunstbetoon blijkt voorts dat deze bepalingen geheel zijn toegespitst op bijeenkomsten van beroepsbeoefenaren. De conclusie moet zijn dat de regels voor gastvrijheid bij uitstek zijn geschreven en bestemd voor situaties waar sprake is van een fysieke
samenkomst.
Voorts overweegt de Codecommissie dat in dit geval sprake is van een zodanige financiering dat deze geheel en volkomen wordt bestreken door de Gedragsregels Sponsoring. Het gaat immers om een door een vergunninghouder te verlenen financiële, althans op geld waardeerbare ondersteuning aan beroepsbeoefenaren.
De omstandigheid dat die ondersteuning feitelijk via X loopt en niet direct tot de beroepsbeoefenaren is gericht is in dit verband niet van belang, nu de bijdrage van de vergunninghouder(s) het de beroepsbeoefenaren mogelijk maakt kosteloos deel te nemen. De toepasselijkheid van de Gedragsregels Sponsoring staat dus op zichzelf beschouwd vast op grond van artikel 1 sub a van die gedragsregels. De Codecommissie acht zich niet vrij de (op zichzelf gaaf toepasselijke) Gedragsregels Sponsoring buiten toepassing te laten ten gunste van de (niet daarvoor geschreven) regels van de Uitwerking Normen Gunstbetoon. Dit zou immers leiden tot een onaanvaardbare terzijdestelling van gedragsregels.
Ten overvloede zij nog opgemerkt dat de Gedragsregels Sponsoring weliswaar niet van toepassing zijn op sponsoring van gastvrijheid, maar ook hier wordt uitdrukkelijk vermeld dat deze uitzondering geldt voor
gastvrijheid bij samenkomsten (art. 2.2 sub a).
Het plan van X impliceert ondersteuning aan individuele beroepsbeoefenaren. Dit is evenwel niet toegestaan (art. 3 van de Gedragsregels Sponsoring). Wel is toegestaan het financieel ondersteunen van samenwerkingsverbanden van beroepsbeoefenaren, waarbij gedacht moet worden aan verenigingen, stichtingen en maatschappen. Sponsoring van individuele beroepsbeoefenaren zou immers in materieel opzicht vrijwel gelijk te stellen zijn met het geven van geschenken, waarvoor weer een andere regeling geldt. Laatstbedoelde regeling zal in dit geval voor X geen uitkomst bieden gelet op de zeer beperkte maximumbedragen die voor geschenken
gelden en die hier bekend mogen worden verondersteld.
Voor de onderhavige problematiek kan nog worden verwezen naar advies nummer A08.042 d.d. 22 juli 2007, te vinden op de website van de CGR. Ook daarin was sprake van voorgenomen sponsoring aan individuele beroepsbeoefenaren resp. het aanbieden van geschenken.
Samenvattend komt de Codecommissie tot het oordeel dat het plan van X veel elementen bevat die uitvoering en follow-up verdienen, maar geeft X uitdrukkelijk in overweging haar plan zo in te richten dat de dienstverlening wordt gericht op samenwerkingsverbanden van beroepsbeoefenaren, bijvoorbeeld de talrijke verenigingen van specialisten en huisartsen, die wellicht de door X geboden mogelijkheden aan hun leden zouden kunnen presenteren en/of aanbevelen en ten dienste stellen. Langs die weg zou – afhankelijk van de omstandigheden – het karakter althans de schijn van individueel geschenk aan de (door farmaceutische bedrijven gefinancierde)
diensten van X kunnen worden ontnomen. Tenslotte wijst de Codecommissie erop dat de Gedragsregels Sponsoring ook andere eisen stellen waaraan moet worden voldaan maar die in dit advies kortheidshalve niet aan bod zijn gekomen.
3. De kosten:
De Codecommissie bepaalt dat de aan deze adviesaanvraag verbonden kosten separaat aan X in rekening zullen worden gebracht.
Aldus gedaan te Gouda op 20 juli 2009 door mr. M. de Boer, voorzitter.
ID:
AA09.054
Onderwerp(en):
Sponsoring
Type beoordeling:
Advies
Uitspraak:
Negatief
Instantie:
Codecommissie
Datum uitspraak:
20-07-2009
Het officiële document: