AA10.011 Terugbetalingsregeling
Op 25 februari 2010 is het volgende advies (A10.011) gegeven.
1. Het verzoek:
X heeft zich tot de Codecommissie gewend met de mededeling dat zij een
terugbetalingsregeling wil introduceren voor haar UR-geneesmiddel Y (actieve stof y), een geneesmiddel bestemd voor de behandeling van ziekte Z, dat in Nederland is geregistreerd met doseringen van 3, 6 en 9 mg. Daarvan valt alleen de eerstgenoemde dosering 3 mg (aanbevolen startdosering, eenmaal daags, voor een beperkt aantal gevallen) niet binnen de vergoedingslimiet in het kader van het GVS. Derhalve wordt deze dosering niet volledig vergoed (eigen bijdrage € 0,86 per tablet, overeenkomend met € 24,08 per maand).
X wenst een teugbetalingsregeling op te zetten in samenwerking met A met het doel te zorgen dat patiënten die op de 3 mg dosering zijn aangewezen, de verschuldigde eigen bijdrage niet in rekening gebracht krijgen. De regeling houdt kort gezegd in dat de apotheker de eigen bijdrage niet aan de patiënt in rekening brengt maar die bijdrage aan de zorgverzekeraar voorschiet, waarna de apotheker deze declareert bij de Stichting Derdengelden Y, gevestigd te Utrecht en beheerd door A. De stichting vergoedt binnen 2 weken de voorgeschoten bijdrage aan de apotheker. X vergoedt op haar beurt die bijdragen aan A.
X is om door haar in de aanvraag omschreven redenen van mening dat de voorgestelde regeling in overeenstemming is met de Gedragscode Geneesmiddelenreclame en vraagt de Codecommissie of zij deze mening deelt. Ook vraagt zij te onderzoeken of het is toegestaan dat A de voorschrijvers (B-artsen) over de regeling voorlicht volgens een bij de aanvraag gevoegde conceptbrief.
2. Het oordeel van de Codecommissie:
De Codecommissie gaat uit van de door X gepresenteerde feiten, zoals hierboven kort omschreven. Deze feitelijke gang van zaken brengt mee, onder meer, dat de voorgestelde terugbetalingsregeling geheel buiten de patiënt om verloopt in die zin, dat de patiënt geen actie behoeft te ondernemen om voor volledige vergoeding in aanmerking te komen; de patiënt behoeft van de regeling zelfs helemaal niet op de hoogte te zijn. In enige mededeling aan de patiënt wordt ook niet voorzien. Wel wordt van deelnemende beroepsbeoefenaren (apothekers) een dienst gevraagd,
waartegenover geen tegenprestatie staat; een dienst die bestaat in het voorschieten van geldbedragen en het vervolgens declareren daarvan bij het bemiddelende bedrijf A resp. de Stichting Derdengelden Y. Van andere beroepsbeoefenaren, met name de voorschrijvende psychiaters, wordt geen dienst gevraagd; zij geven een recept mee aan de patiënt zoals altijd in soortgelijke gevallen.
De Codecommissie constateert allereerst dat de Gedragscode geen uitdrukkelijke bepaling bevat krachtens welke de voorgestelde terugbetalingsregeling ontoelaatbaar zou zijn. Niettemin is denkbaar dat – in het kader van de marketing activiteiten van een vergunninghouder – voor zulk een regeling een methode wordt gevolgd die als ontoelaatbare reclame voor een UR-geneesmiddel kan worden bestempeld. De commissie interpreteert het verzoek van X als een vraag van die strekking.
In de Code is het begrip reclame omschreven als “iedere aanprijzing van
geneesmiddelen en daarmee samenhangende diensten of denkbeelden, daaronder begrepen het aanbieden of vragen van diensten of goederen in de omgang tussen vergunninghouders en beroepsbeoefenaren.” De aan de beroepsbeoefenaar gevraagde dienst is pas als reclame voor geneesmiddelen te kwalificeren als er een verband bestaat tussen de aanprijzing van een geneesmiddel en de gevraagde dienst (vgl. CvB d.d. 17 september 2009 inzake Eleveld – Pfizer).
De Codecommissie constateert in dit verband dat de door X overgelegde
introductiebrief aan apothekers geen aanprijzende elementen bevat. De brief is naar het oordeel van de Codecommissie slechts informatief van aard doordat zij zich beperkt tot het verstrekken van informatie over de wijze van uitvoering van de terugbetalingsregeling en in beknopte zakelijke bewoordingen het product vermeldt waarop die regeling betrekking heeft. Ook het bij de brief gevoegde declaratieformulier is uitsluitend zakelijk opgezet, zonder toevoeging van aanprijzende elementen. De brief wordt verzonden door A, zonder onnodig vertoon van merknaam, handelsnaam of logo’s. Kortom, van reclame voor geneesmiddel Y is in dit geval geen sprake, gelet op de inhoud van de mededelingen aan de betrokken apothekers.
Het enkele concept van de onderhavige terugbetalingsregeling en het vragen van diensten aan beroepsbeoefenaren in dat bepaalde kader – te weten het voorschieten en declareren van geldbedragen – kan in dit geval niet zonder meer als (al dan niet verborgen) reclame worden aangemerkt, ook niet als het oogmerk van X mocht zijn om haar product hiermee op positieve wijze onder de aandacht te brengen. Tot zover is er dus geen strijdigheid met de Gedragscode Geneesmiddelenreclame.
De vraag rijst of van de regeling een oneigenlijke invloed zou kunnen uitgaan op het voorschrijfgedrag door beroepsbeoefenaren. X stelt in dit verband voor de voorschrijvende artsen per brief over de regeling te informeren, volgens een door haar overgelegd concept. Zij voert daarbij aan dat de regeling alleen relevant is voor een beperkte groep patiënten, dus in uitzonderingsgevallen binnen de toch al kleine populatie van patiënten met ziekte Z die Y krijgen voorgeschreven.
De Codecommissie ziet niet in welk doel ermee wordt gediend indien voorschrijvers over de regeling worden ingelicht, anders dan met de strekking althans het gevolg hen mogelijkerwijs te stimuleren hun patiënt een geldelijk voordeel te bezorgen door hun keuze voor het voorschrijven van geneesmiddel Y in plaats van een mogelijk ander product of een andere therapie. De kans is immers niet denkbeeldig dat de keuze voor Y door andere motieven wordt ingegeven dan door overwegingen ontleend aan het rationele gebruik van geneesmiddelen in farmacotherapeutisch opzicht. De commissie meent dat het hiervoor genoemde argument van X, dat het hier slechts om een beperkte groep patiënten gaat, niet ter zake doende is. De kans op het meespelen van oneigenlijke motieven bij de productkeuze wordt daarmee weliswaar minder, maar het mogelijke gevolg in kwalitatief opzicht niet anders. Ook de omstandigheid dat de brief aan potentiële voorschrijvers van geneesmiddel Y in terughoudende bewoordingen is gesteld, verandert niets aan het oordeel van de commissie dat met die brief geen redelijk ander doel wordt gediend dan enigerlei invloed op het voorschrijfgedrag uit te oefenen.
Samenvattend moet de conclusie zijn dat de terugbetalingsregeling zelf en de mededeling daarvan aan apothekers in overeenstemming zijn met de Gedragscode.
Ten aanzien van de voorgestelde mededeling aan voorschrijvende artsen (B-artsen) adviseert de Codecommissie deze achterwege te laten.
3. Kosten:
De Codecommissie bepaalt dat de aan deze adviesaanvraag verbonden kosten aan verzoekster separaat in rekening zullen worden gebracht.
Aldus gedaan te Gouda op 25 februari 2010 door mr. M. de Boer, voorzitter.
ID:
AA10.011
Onderwerp(en):
Eisen aan reclame, Kosteloze verstrekking van geneesmiddelen, Onderscheid reclame / informatie
Type beoordeling:
Advies
Uitspraak:
Deels positief, deels negatief
Instantie:
Codecommissie
Datum uitspraak:
25-02-2010
Het officiële document: