AA10.116 Vergoeding ontwikkeling nascholing

Op 8 december 2010 is het volgende advies (A10.0116) gegeven.

1. Het verzoek:

X organiseert nascholingen die geaccrediteerd zijn voor beroepsbeoefenaren. Deze
nascholingen worden geschreven door deskundige beroepsbeoefenaren in een
bepaald deelgebied van het specialisme. De ontwikkelde nascholingen nemen
ongeveer 2 uur in beslag en bestaan uit een presentatie, bijbehorende sprekersnotities
en toetsvragen. X verzorgt de accreditatieaanvraag en verleent de bijbehorende
gastvrijheid binnen de richtlijnen van de CGR. De presentaties kunnen door
verschillende sprekers, allen eveneens deskundige beroepsbeoefenaren, worden
gegeven omdat zij zich daarop kunnen voorbereiden door middel van de door
eerstbedoelde deskundigen ontwikkelde sprekersnotities en bijbehorende literatuur en
naslagwerken.

Voor het ontwikkelen van een nascholing is X voornemens de ontwikkelaars van de
nascholing het aantal daadwerkelijk daaraan bestede uren en de daarbij in redelijkheid
gemaakte kosten te vergoeden. Dit laatste op basis van werkelijk gemaakte kosten en
tegen overlegging van de originele nota’s.

De vergoedingen bedragen € 132,50 per uur voor niet-hoogleraren en € 200,00 per
uur voor hoogleraren, beide bedragen exclusief BTW. Hierbij wordt er van uitgegaan
dat de presentatie intellectueel eigendom blijft van de auteur. Voor iedere presentatie
die gehouden wordt, vergoedt X de auteur van de presentatie, naast de al betaalde
ontwikkelingskosten, een bedrag van € 150,00 per keer als vergoeding voor de
intellectuele eigendomsrechten. De vergoedingen en de te verlenen diensten zullen
worden vastgelegd in een dienstverleningsovereenkomst.

Voor de vaststelling van bovengenoemde uurtarieven verwijst X naar de websites
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29248-83.html en
http://www.amc.uva.nl/index.cmf?pid=2527 .
X verneemt graag of de hierboven genoemde vergoedingen voor het ontwikkelen van
de nascholing in overeenstemming zijn met de Gedragscode Geneesmiddelenreclame
en of hetzelfde geldt voor het daarnaast verstrekken van een aanvullende vergoeding
per gehouden nascholing voor het gebruik van de intellectuele eigendomsrechten van
de adviseur.

2. Het oordeel van de Codecommissie:

Van toepassing bij de onderhavige adviesaanvraag is artikel 20 van de Gedragscode,
zoals uitgewerkt in de artikelen 12 t/m 15 van de Uitwerking Normen Gunstbetoon
(UNG) inzake de honorering van dienstverlening en de Toelichting daarop in onderdeel
D van deze Toelichting.

Uitgangspunt bij de dienstverlening door beroepsbeoefenaren aan vergunninghouders
is dat de honorering van beroepsbeoefenaren voor door hen geleverde diensten in een
redelijke verhouding moet staan met de door hen geleverde tegenprestaties en dat met
de dienstverlening geen andere binding tussen vergunninghouders en
beroepsbeoefenaren ontstaat dan direct verband houdend met de verleende dienst.

Voor vergoeding in aanmerking komen de werkelijk gemaakte kosten. Daarnaast is
een vergoeding op zijn plaats voor de tijd die de beroepsbeoefenaar aan de
dienstverlening heeft besteed. Laatstgenoemde vergoeding wordt bepaald aan de
hand van de naar redelijke schatting aan de betrokken werkzaamheden verbonden
tijdsbesteding en een uurtarief. Wat in een concreet geval een redelijk vergoeding is, is
afhankelijk van diverse factoren, zoals de aard en de omvang van de geleverde
diensten, het tijdsbeslag, de positie en kwalificaties van de betrokken
beroepsbeoefenaars, etc. In essentie zal toetsing plaatsvinden aan de hand van
bestede tijd en een uur of dagtarief. Voor dat laatste kan voor bepaalde
beroepsgroepen worden aangesloten bij de (uur)tarieven die voor de betrokken
beroepsbeoefenaren zijn vastgesteld krachtens de Wet Marktordening
Gezondheidszorg of bij de adviestarieven gepubliceerd door de organisaties van de
betrokken beroepsbeoefenaren.

Voor de vaststelling van de uurtarieven die aanvraagster voornemens is als honorering
voor de dienstverlening te hanteren, verwijst aanvraagster naar twee websites. De
eerste heeft betrekking op de vaststelling van een zogeheten “normatief uurtarief” voor
specialistische hulp in het kader van de invoering van het Diagnose Behandeling
Combinatie(DBC)-systeem. Het normatieve uurtarief geldt, ongeacht de verschillen in
specialismen en ongeacht ook de onderlinge verschillen in expertise en positie tussen
de specialisten binnen een bepaald (deel)specialisme, voor alle specialisten binnen de
Nederlandse gezondheidszorg. Het normtarief is bovendien aan te merken als een “all
in” tarief, dat wil zeggen omvat, naast een inkomenscomponent, ook niet
onaanzienlijke componenten voor de vergoeding van zowel de individuele als de
praktijkkosten van specialisten. Als zodanig is het hieruit resulterende normtarief van
€ 132,00 nauwelijks bruikbaar als uitgangspunt voor de vaststelling van uurtarieven in
het kader van dienstverlening, zoals door of krachtens Gedragscode
Geneesmiddelenreclame voorgeschreven. Immers, bij het vaststellen van
laatstgenoemde uurtarieven mag volgens de Gedragscode en de UNG wel degelijk
rekening worden gehouden met verschillen in positie en kwalificaties van de betrokken
beroepsbeoefenaren. Bovendien gaan Gedragscode en UNG niet uit van een all-in
tarief, maar van een redelijke (netto) vergoeding voor de dienstverlening, naast een
vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten.

De tweede, door aanvraagster genoemde website heeft betrekking op een
kostenopgave door de Polikliniek Mens en Arbeid van het AMC bij een zogeheten
werkplekonderzoek. In dat kader wordt een uurtarief genoemd van € 200,00 voor de
inschakeling van een hoogleraar of een dermatoloog en een uurtarief van € 150,00
voor de inschakeling van alle overige medische specialisten. Ook hier is wederom
sprake van “all-in” tarieven. Immers, begrepen daarin zijn kennelijk ook de
(infrastructurele) kosten van de polikliniek/het AMC. Voor het vaststellen van
uurtarieven bij dienstverlening vormt ook deze website derhalve geen bruikbaar
uitgangspunt.

De Codecommissie stelt zich op het standpunt dat de verwijzing naar de in het kader
van de Wet Marktordening Gezondheidszorg vastgestelde (uur)tarieven, zoals vermeld
in artikel 9.4 van de Toelichting bij de UNG resp. naar de door organisaties van
beroepsbeoefenaren gepubliceerde (uur)tarieven, bij de huidige ontwikkelingen haar
betekenis heeft verloren. Bij dienstverlening is de alles over één kam benadering zoals
die op dit moment wordt gehanteerd in het kader van genoemde Wet, zonder daaraan
overigens enigerlei kwalificatie te verbinden, niet toepasbaar. Bij dienstverlening in de
zin van de Gedragscode gaat het om het op een verantwoorde wijze inzetten van bij
beroepsbeoefenaren aanwezige specialistische kennis; een inzet die, naast de
vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten, mag worden gehonoreerd, met de
kanttekening dat die honorering in een redelijke verhouding dient te staan tot de door
de dienstverlener verrichte tegenprestatie. Zou een dergelijke redelijke beloning niet
mogelijk zijn dan kan dit uiteindelijk ten koste gaan van de kwaliteit van de
dienstverlening door beroepsbeoefenaren en eventueel zelfs de interesse van
beroepsbeoefenaren voor het verstrekken van adviezen aan vergunninghouders
geheel doen verdwijnen. En dat is uitdrukkelijk niet de bedoeling van de door en
krachtens de Gedragscode aan de dienstverlening door beroepsbeoefenaren gestelde
eisen.

Cruciaal bij de vraag of sprake is van een redelijke verhouding tussen honorering (lees:
gehanteerde uurtarieven) en de geleverde tegenprestatie blijft daarom de vraag of bij
de dienstverlening sprake is van ongewenst gunstbetoon in die zin dat daaraan
oneigenlijke motieven ten grondslag liggen en/of door de verhouding tussen de te
leveren dienst (prestatie) en de vergoeding daarvoor twijfels kunnen ontstaan over de
onafhankelijkheid van de beroepsbeoefenaar. Verwezen wordt in dit verband naar
artikel 20 van de Gedragscode en artikel 9.1 van de Toelichting op de UNG. De door
aanvraagster voorgenomen uurtarieven op zich geven de Codecommissie voorshands
geen aanleiding te veronderstellen dat zulks het geval is. Die standpunt zou anders
kunnen luiden indien in de te ontwikkelen nascholingen sprake zou zijn oneigenlijke
beïnvloeding van het voorschrijven door de toekomstige cursisten: de huisartsen. De
Codecommissie gaat er echter van uit dat het bij de nascholing te gebruiken
cursusmateriaal op dit punt zorgvuldig zal worden gescreend door de accrediterende
instantie.

Anders ligt dit evenwel voor de door aanvraagster voorgenomen vergoeding van €
150,00 excl. BTW per keer voor de intellectuele eigendomsrechten. De
Codecommissie kan deze vergoeding niet anders zien dan als een extra honorering
van de dienstverlening door de betrokken adviseur, met de kanttekening dat daarmee
het zicht op de totale honorering volledig verloren gaat. De kans dat onder die
omstandigheden een situatie ontstaat dat de honorering niet (langer) in een redelijke
verhouding staat tot de door de beroepsbeoefenaar verrichte tegenprestatie is daarbij
volop aanwezig. Dit geldt speciaal nu die extra vergoeding ook geldt bij gebruik van de
ontwikkelde nascholing in het kader van de door aanvraagster georganiseerde
nascholingsprogramma. Voor een dergelijke vergoeding voor de intellectuele
eigendomsrechten kan naar de mening van de Codecommissie uitsluitend sprake zijn
ingeval van gebruik van de ontwikkelde nascholing door derden, dat wil zeggen door
anderen dan aanvraagster. Op dit punt luidt het advies van de Codecommissie dan ook
negatief.

3. Kosten:

De Codecommissie bepaalt dat de aan deze adviesaanvraag verbonden kosten aan X
separaat in rekening zullen worden gebracht.
Aldus gedaan te Gouda op 8 december 2010 door mr. J.W.A.H. Leenen, voorzitter.

ID:

AA10.116

Onderwerp(en):

Dienstverlening

Type beoordeling:

Advies

Uitspraak:

Deels positief, deels negatief

Instantie:

Codecommissie

Datum uitspraak:

08-12-2010

Het officiële document:

Print deze uitspraak