AA19.014 Dienstverlening
ADVIES (A19.014) van de Codecommissie op het verzoek van [X] (hierna: verzoekster) op de voet van artikel 59 van het Reglement van de Codecommissie en de Commissie van Beroep van de Stichting Code Geneesmiddelenreclame, uitgebracht door de voorzitter van de Codecommissie.
De Codecommissie heeft kennis genomen van de namens verzoekster ingediende adviesaanvraag van 18 februari 2019 van [de heer Y].
1. Het verzoek
Verzoekster is een vergunninghouder.
In haar verzoek geeft verzoekster aan dat [professor Z] door haar hoofdkantoor is verzocht te spreken op, en als lid van de faculty deel te nemen aan, een door verzoekster op een (niet nader genoemde datum) [in 2019], georganiseerd (geaccrediteerd) congres/symposium in Amsterdam. Het betreft een bijeenkomst met deelnemers uit veel verschillende landen, onder wie ook Nederlandse beroepsbeoefenaren. [Professor Z] was tot 1 januari 2018 ingeschreven als arts. Inmiddels is hij met pensioen. Hij is uitgeschreven uit het BIG-register. Professor verleent thans nog vanuit zijn eigen onderneming, een eenmanszaak, diensten als adviseur medische zaken en spreker op congressen/symposia, in het bijzonder op het gebied van [ziekten A].
Verzoekster deelt voorts mede dat [professor Z] voor zijn werkzaamheden een uurtarief rekent van € 230,00. Verzoekster vraagt advies of dit uurtarief is toegestaan in een situatie als hierboven omschreven.
2. De beoordeling
De Codecommissie stelt voorop dat zij zich in haar onder nummer A18.011 reeds over een min of meer vergelijkbaar verzoek van verzoekster heeft uitgesproken. In die adviesaanvraag werd door verzoekster om advies gevraagd omtrent de vraag of de CGR-regels nog van toepassing zijn op een niet langer BIG-geregistreerde arts/hoogleraar voor dienstverlening aan haar affiliates in het buitenland, wanneer hij daar optreedt als adviseur, global expert op het gebied van [ziekten A] en als spreker op buitenlandse congressen.
De Codecommissie heeft toen overwogen:
* dat de Gedragscode Geneesmiddelenreclame (nader: de Gedragscode) onder meer ziet op normering van activiteiten die te maken hebben met een verantwoorde gang van zaken bij de omgang tussen vergunninghouders en beroepsbeoefenaren;
* dat, voor zover de bepalingen van de Gedragscode voorschriften geven die specifiek gericht zijn op de (rechts)verhouding tussen een vergunninghouder en een beroepsbeoefenaar, die bepalingen zonder betekenis zijn voor de (rechts)verhouding tussen een vergunninghouder en ieder ander die geen beroepsbeoefenaar is.
* dat de bepalingen van de Gedragscode die zien op dienstverlening en onderzoek met geregistreerde geneesmiddelen (paragraaf 6.3. van de Gedragscode) zich met zoveel woorden uitsluitend richten op de (rechts)verhouding tussen een vergunninghouder die diensten afneemt en een beroepsbeoefenaar die diensten verleent en
* dat op degene die niet (meer) in het BIG-register staat geregistreerd de rechten en plichten van de arts niet meer van toepassing zijn. Hij mag de bij zijn opleiding behorende titel van arts niet meer gebruiken, tenzij met de toevoeging niet praktiserend en ook heeft hij niet (meer) de bevoegdheid receptgeneesmiddelen voor te schrijven of ter hand te stellen. Om die reden is die dan ook geen beroepsbeoefenaar (meer) als bedoeld in artikel 82 lid 1 van de geneesmiddelenwet en in artikel 3.1 van de Gedragscode.
In het hiervoor bedoelde advies is op die grond geconcludeerd dat de relatie tussen verzoekster en [professor Z], na diens uitschrijving uit het BIG-register, niet (meer) wordt beheerst door de Gedragscode, zodat aan de daarin opgenomen bepalingen over de (rechts)verhouding tussen verzoekster (als vergunninghouder) en [professor [Z] geen werking meer toekomt, zolang [professor Z] niet (meer) is ingeschreven in het BIG-register.
De Codecommissie ziet in de (onderbouwing van de) onderhavige adviesaanvraag geen reden van het hiervoor weergegeven oordeel af te wijken. De omstandigheid dat het in de huidige adviesaanvraag – anders dan bij de aanvraag die heeft geleid tot het onder nummer A18.011 gegeven advies – om een concrete, in Nederland plaatsvindende (geaccrediteerde) bijeenkomst gaat, maakt dat oordeel niet anders.
Anders dan ten tijde van het onder nummer A18.011 gegeven advies kent de Gedragscode sedert 1 juli 2018 in paragraaf 6.5 “specifieke bepalingen met betrekking tot bepaalde andere financiële relaties dan gunstbetoon”. De vraag rijst dan ook of de financiële relatie die verzoekster wenst aan te gaan met [professor Z] (als niet-beroepsbeoefenaar) wellicht langs die lijn maakt dat de regels van de Gedragscode moeten worden toegepast. Ten aanzien daarvan wordt het volgende overwogen.
Gunstbetoon richting niet-beroepsbeoefenaren is verboden. Voor deze groep bestaan immers geen wettelijke uitzonderingsgronden. Niettemin kunnen aan hen geld of op geld waardeerbare goederen in het vooruitzicht worden gesteld, worden aangeboden of toegekend, voor zover dat niet het kennelijk doel heeft het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van een geneesmiddel te bevorderen. Bij de beoordeling of dat ‘verkoop bevorderend doel’ inderdaad afwezig is, moet worden bekeken in hoeverre de begunstigde invloed heeft of kan hebben op het voorschrijven, ter hand stellen en gebruik van geneesmiddelen, alsook naar het doel en de omvang van de begunstiging (zie artikel 6.1.2. van de Gedragscode). Uitsluitend indien deze afweging leidt tot de constatering dat geen sprake is van een kennelijk verkoopbevorderend doel, valt de begunstiging niet onder het verbod op gunstbetoon en is begunstiging dus toegestaan.
Artikel 6.5.2. geeft een zestal cumulatieve voorwaarden (a t/m f) die, mits alle vervuld, het vermoeden rechtvaardigen dat het kennelijk verkoopbevorderend doel bij een financiële relatie tussen de vergunninghouder en een niet-beroepsbeoefenaar afwezig is. Het betreft inhoudelijke voorwaarden die afhankelijk van de potentiële invloed die de niet-beroepsbeoefenaar heeft op het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van geneesmiddelen, moeten worden ingevuld.
Eerst zal moeten worden vastgesteld of de niet-beroepsbeoefenaar invloed heeft of kan hebben op het voorschrijven, ter hand stellen of gebruik van geneesmiddelen. Als dat niet het geval is, dan valt de financiële relatie met deze niet-beroepsbeoefenaar buiten de werkingssfeer van de Gedragscode (zie art 1.2). Indien er sprake is van een niet-beroepsbeoefenaar met een mogelijke invloed op het voorschrijven, ter hand stellen of gebruik van geneesmiddelen, kan op basis van de cumulatieve voorwaarden van artikel 6.5.2 worden bepaald of het kennelijk verkoopbevorderend doel inderdaad afwezig is. Leidt die beoordeling tot de conclusie dat het kennelijk verkoopbevorderend doel afwezig is, dan valt de betreffende financiële relatie buiten het begrip gunstbetoon ex artikel 3.1 onderdeel j van de Gedragscode, zodat de bepalingen van de Gedragscode niet aan het aangaan van de financiële relatie met de betreffende niet-beroepsbeoefenaar in de weg staan.
Blijkens de toelichting op artikel 6.5.2. van de Gedragscode kan bij de groep van niet-beroepsbeoefenaren die een mogelijke invloed kunnen hebben op het voorschrijven, ter hand stellen of gebruik van geneesmiddelen, onder meer, worden gedacht aan dienstverleningsovereenkomsten met niet-beroepsbeoefenaren waarvoor een bepaald honorarium wordt betaald. Die situatie is hier aan de orde. Immers, verzoekster is voornemens met [professor Z] een dienstverleningsovereenkomst aan te gaan en zij verzoekt de Codecommissie te beoordelen of het is toegestaan daarbij het door professor gewenste uurloon van € 230,00 te betalen.
Evident is dat [professor Z], die weliswaar geen beroepsbeoefenaar meer is, als spreker voor het door verzoekster te organiseren congres/symposium is uitgenodigd vanwege zijn specifieke kennis als expert op het gebied van [ziekten A] en om zijn kennis en inzichten daaromtrent tijdens het congres/symposium met de aanwezige beroepsbeoefenaren te delen. In zoverre moet het er dan ook voor worden gehouden dat hij invloed kan hebben op het voorschrijven, ter hand stellen of gebruik van geneesmiddelen.
Dat betekent dat de toelaatbaarheid van de (voorgenomen) financiële relatie tussen verzoekster en [professor Z] moet worden getoetst aan de in artikel 6.5.2. onder de punten a) tot en met f) vermelde cumulatieve voorwaarden. Immers, alleen indien aan al deze voorwaarden wordt voldaan, wordt vermoed dat het kennelijk verkoopbevorderend doel bij de financiële relatie tussen de vergunninghouder en de niet-beroepsbeoefenaar afwezig is (artikel 6.5.1. onder a).
De Codecommissie heeft geen aanleiding ervan uit te gaan dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 6.5.2 onder a) tot en met e). Zij is evenwel van oordeel dat het bepaalde onder f) in de weg staat aan het geven van een positief advies aan verzoekster. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Onder punt f) van artikel 6.5.2 is bepaald dat de hoogte van de (op geld waardeerbare) vergoeding van de relatie beperkt blijft tot hetgeen strikt noodzakelijk is en niet verder gaat dan hetgeen geldt voor vergelijkbare financiële relaties met beroepsbeoefenaren uit hoofde van paragrafen 6.2, 6.3 en 6.4 van de Gedragscode. Dit betekent onder meer dat de vergoedingen dienen te beantwoorden aan de uitgangspunten die ook voor beroepsbeoefenaren gelden.
In geval van een dienstverleningsovereenkomst dient de hoogte van het honorarium te passen binnen het uurtarief dat in het maatschappelijk verkeer voor dat soort (zorg)dienstverleners gebruikelijk is. Voor de beoordeling van de vraag wat als een redelijke tegenprestatie (vergoeding) voor door beroepsbeoefenaren te verrichten werkzaamheden kan worden aangemerkt, heeft CGR in overleg met de Inspectie en met het Ministerie van WVS redelijke uurtarieven voor de beroepsbeoefenaren vastgesteld (zie de toelichting op artikel 6.3.3 van de Gedragscode). Daarbij is het redelijk uurloon voor een hoogleraar vastgesteld op € 200,00.
Blijkens de adviesaanvraag van verzoekster wenst [professor Z] een uurtarief van € 230,00 te berekenen. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – valt naar het oordeel van de Codecommissie niet in te zien waarom in het onderhavige geval een afwijking van het uurloon voor een hoogleraar gerechtvaardigd zou zijn. Dit klemt temeer waar [professor Z] met pensioen is.
De conclusie uit het vorenstaande luidt dat de Codecommissie negatief adviseert, voor zover verzoekster voornemens is aan [professor Z] een uurtarief van € 230,00 te vergoeden. De Codecommissie merkt daarbij ten overvloede op dat zij geen aanleiding ziet om, nu [professor Z] met pensioen is, het voor een hoogleraar als redelijk aangemerkte bedrag van € 200,00 per uur, niet (langer) als passend te beschouwen. Indien [professor Z] bereid mocht zijn om zijn werkzaamheden op basis van een uurtarief van € 200,00 te verrichten, dan staat naar het oordeel van de Codecommissie artikel 6.5.2. van de Gedragscode niet in de weg aan het aangaan van de onderhavige voorgenomen financiële relatie.
3. De kosten
De Codecommissie bepaalt dat de aan deze adviesaanvraag verbonden kosten aan verzoekster separaat in rekening zullen worden gebracht.
Aldus gedaan te Amsterdam op 26 februari 2019 door mr. J.A.J. van den Boom, voorzitter.
ID:
AA19.014
Onderwerp(en):
Dienstverlening
Type beoordeling:
Advies
Uitspraak:
Negatief
Instantie:
Codecommissie
Datum uitspraak:
26-02-2019
Het officiële document: