B19.01 UCB/MSD

Beslissing 23 september 2019
B18.016/B19.01

BESLISSING VAN DE COMMISSIE VAN BEROEP VAN DE STICHTING CODE GENEESMIDDELENRECLAME

in de zaak met nummer B18.016/B19.01 van:

UCB Pharma B.V.,
gevestigd te Breda,
verzoekster in beroep,
hierna te noemen: UCB,
gemachtigde: mr. drs. I.E.M. Verheijen te Amsterdam,

tegen

Merck Sharpe Dohme B.V.,
verweerster in beroep,
hierna te noemen: MSD,
gemachtigde: mr. drs. H. van den Bos te Amsterdam,

met betrekking tot een klacht inzake een uiting van UCB over haar geneesmiddel Cimzia® (certolizumab pegol), een TNF-α-remmer.

1. HET GEDING IN BEROEP

1.1 Bij beroepschrift van 3 mei 2019 is UCB bij de Commissie van Beroep van de Stichting Code Geneesmiddelenreclame (verder te noemen: de Commissie van Beroep) in beroep gekomen van de beslissing van de Codecommissie van de Stichting Code Geneesmiddelenreclame (verder te noemen: de Codecommissie) van 12 april 2019, gegeven onder nummer K18.016 tussen MSD als verzoekster en UCB als verweerster. UCB heeft in het beroepschrift drie grieven opgeworpen tegen de beslissing van de Codecommissie. UCB heeft de Commissie van Beroep verzocht de bestreden beslissing van de Codecommissie te vernietigen en ten aanzien van de aangevochten onderdelen een nieuwe beslissing te nemen naar aanleiding van de klacht van MSD, althans de motivering daarvan aan te passen. Verder verzoekt UCB de Commissie van Beroep om MSD te veroordelen in de kosten van het beroep.

1.2 Bij verweerschrift van 14 juni 2019 heeft MSD de Commissie van Beroep verzocht de uitspraak van de Codecommissie te bekrachtigen, het beroep van UCB ongegrond te verklaren met veroordeling van UCB in de griffierechten en de kosten van deze procedure in beroep.

1.3 Ter zitting van 13 september 2019 heeft de mondelinge behandeling van het beroep plaatsgevonden. Namens UCB waren aanwezig D. Bronneberg (Country Lead NL), T. Gilles (Legal Counsel Northern Europe a.i.), R. Hogeweg (Country Lead Immunology), L. Senturk (Medical Affairs Immunology), J. Slachmuylders (Medical Lead Netherlands) en D. Verboven (Lead Global Clearance Committee), bijgestaan door mr. drs. Verheijen voornoemd. Namens MSD waren aanwezig M.R.A. Poulie (Legal & Compliance Director) en R. Veldman (Medical Services Lead), bijgestaan door mr. drs. Van den Bos voornoemd en zijn kantoorgenote mr. P. den Boer.

1.4 De gemachtigden hebben ter zitting de standpunten van partijen mondeling toegelicht aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen.

2. DE FEITEN IN BEROEP

2.1 Partijen zijn niet opgekomen tegen de feiten die de Codecommissie als vaststaand heeft aangemerkt, zodat ook de Commissie van Beroep van deze feiten zal uitgaan.

2.2 UCB en MSD zijn ondernemingen die zich bezig houden met de productie, verhandeling en distributie van geneesmiddelen en zijn vergunninghouders als bedoeld in de Gedragscode Geneesmiddelenreclame (hierna genoemd “Gedragscode”). Beide ondernemingen brengen geneesmiddelen op de markt die vallen in de categorie TNF-α-remmers.

2.3 UCB heeft tijdens de NVR (Nederlandse Vereniging voor Reumatologie) voorjaarsdagen in januari 2018 een leave-behind (hierna genoemd “Uiting 1”) verspreid met aan de voorzijde een advertentie voor Cimzia en op de achterkant de verkorte productinformatie van Cimzia en tijdens de NVR najaarsdagen in september 2018 een stand geplaatst (hierna genoemd “Uiting 2”). In de stand is een video vertoond over de werking van TNF-α-remmers tijdens zwangerschap.

2.4 In de bestreden uitspraak heeft de Codecommissie de klacht van MSD gegrond verklaard en heeft UCB bevolen om elk verder gebruik van Uiting 1 en/of vergelijkbare uitingen met dezelfde strekking met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden en elk verder gebruik van de in Uiting 2 bedoelde video op voor niet-beroepsbeoefenaren toegankelijk wijze met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden.

3. BEOORDELING

3.1 In het beroepschrift voert UCB aan dat zij zich conformeert aan de maatregelen die de Codecommissie haar heeft opgelegd met dien verstande dat de motivering van deze beslissing van invloed is op de uitvoering van de maatregel, waarbij zij “in het bijzonder refereert aan het onderdeel van de maatregel ten aanzien van Uiting 1, die betrekking heeft op het staken en gestaakt houden van ‘vergelijkbare uitingen met dezelfde strekking’”. De Codecommissie komt bij de beoordeling van de klacht van MSD tot enkele overwegingen waarin UCB zich principieel niet kan vinden. Hiertegen is het beroep gericht, aldus UCB.

3.2 Gelet op het vorengaande ziet de Commissie van Beroep zich ambtshalve gesteld voor de vraag of UCB voldoende belang heeft bij een beoordeling van haar beroep. Het beroep strekt er namelijk toe dat – op daartoe aangevoerde gronden – de Commissie van Beroep ten aanzien van de klacht en het daaraan verbonden verzoek van de verzoekende partij, in dit geval MSD, om maatregelen te treffen, tot een andere beslissing komt dan de Codecommissie.

3.3 UCB heeft zich in haar beroepschrift en tijdens de zitting echter uitdrukkelijk geconformeerd aan de door de Codecommissie aan haar opgelegde maatregelen, hetgeen betekent dat zij in beroep niet een andere beslissing dan die van de Codecommissie nastreeft. Wat UCB met het beroep wil bereiken is aanpassing van enkele onderdelen van de motivering van de beslissing, waarin zij zich “principieel niet kan vinden”. Daarvoor is een beroep niet bedoeld. Dit betekent dat het beroep van UCB moet worden verworpen.

3.4 Aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep komt de Commissie van Beroep daarom niet toe.

3.5 UCB zal gelet op de (strekking van de) artikelen 54.1 tot en met 54.4 van het Reglement Codecommissie en Commissie van Beroep van de Stichting CGR (hierna Reglement) en de ‘Leidraad behorende bij art. 28 Reglement CGR procedurekosten’ als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van het op grond van artikel 45, aanhef en onder a van het Reglement verschuldigde griffiegeld ten bedrage van € 3.100,- (exclusief BTW), alsmede tot betaling van de in artikel 54.2 Reglement bedoelde procedurekosten, welke zijn vastgesteld op € 5.000,-.

4. DE BESLISSING

De Commissie van Beroep:

– verwerpt het beroep van UCB;

– veroordeelt UCB tot betaling van het griffiegeld, zijnde € 3.100,- (exclusief BTW) en van de procedurekosten als bepaald in artikel 54.2 van het Reglement, welke kosten zijn vastgesteld op € 5.000,-.

Deze beslissing is gegeven op 23 september 2019 door mr. E.J. van Sandick, voorzitter, mr. C.H.M. van Altena en mr. E.M. Polak, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.C. van Duuren, griffier,

ID:

B19.01

Onderwerp(en):

Vergelijkende reclame, Publieksreclame

Type beoordeling:

Klacht

Uitspraak:

Ongegrond

Instantie:

Commissie van beroep

Datum uitspraak:

23-09-2019

Het officiële document:

Print deze uitspraak