Nr. 2 – Onderzoek IGJ naar adviesraden – vermijd commerciële onderdelen
Geneesmiddelenbedrijven kunnen zorgprofessionals inschakelen om tegen betaling een bepaalde dienst te verrichten, zoals deelname aan een adviesraad. Daarvoor geldt een aantal voorwaarden, om te voorkomen dat de betaling voor de dienst kan worden aangemerkt als verboden gunstbetoon (zie Hoofdstuk 6.3 van de Gedragscode).
Van medio 2024 tot medio 2025 heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) onderzoek gedaan naar adviesraden bij 10 geneesmiddelenbedrijven en deze getoetst aan de Beleidsregels gunstbetoon Gnw 2018. Uit dit onderzoek komt een aantal aandachtpunten naar voren over de eisen die aan de dienstverleningsovereenkomsten worden gesteld en aan de eis dat de adviesraad in het belang dient te zijn voor de uitoefening van de geneeskunst, waarbij het advies is commerciële onderdelen te vermijden. Met dit bericht volgt de CGR de aanbevelingen op van de IGJ om veldpartijen duidelijkheid te verschaffen over de eisen die aan adviesraden worden gesteld.
1. Dienstverleningsovereenkomsten (artikel 6.3.2 van de Gedragscode)
Voorwaarde voor het tegen betaling verrichten van een dienst, zoals deelname aan een adviesraad, is dat dit vooraf is vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst, waarin “de inhoud, aard, duur en omvang van de dienst, het daarmee te bereiken resultaat en/of doel en de vergoeding voor de dienst en van eventuele onkosten” helder zijn vastgelegd.
De IGJ constateerde in haar onderzoek naar adviesraden dat in 4 gevallen in de overeenkomsten de beschrijving van de doelstelling van de adviesraad tekortschoot. De Beleidsregels gunstbetoon Gnw verlangen dat in de overeenkomst het te bereiken resultaat voor het houden van de adviesraad helder is omschreven.
Andere geconstateerde tekortkomingen in de overeenkomsten waren: het ontbreken van het gegeven wanneer en waar de adviesraad zal plaatsvinden en het ondertekenen van de overeenkomst nadat de adviesraad had plaatsgevonden. Dat dient voorafgaand aan de uitvoering van de gevraagde dienst te gebeuren.
2. Adviesraad in belang voor de uitoefening van de geneeskunst (artikel 6.3.1 van de Gedragscode) – vermijd commerciële onderdelen
De IGJ heeft onderzocht in hoeverre de adviesraad (deels) een commercieel karakter heeft. Daarvan is sprake als het gevraagde advies aan de adviesraad met name een commerciële relevantie heeft voor het bedrijf en minder gaat over de medische positionering van geneesmiddelen. Bijvoorbeeld als artsen worden gevraagd naar hun overwegingen om specifiek het geneesmiddel van het bedrijf voor te schrijven en daar met elkaar van gedachten over te wisselen. Van een commercieel karakter kan ook sprake zijn als – onnodig – reclame-uitingen van het geneesmiddel met de adviesraad worden gedeeld. Ook speelt mee of het (deels) commerciële karakter van de adviesraad vooraf bekend is gemaakt aan de zorgprofessionals, zodat ze een weloverwogen keuze kunnen maken of ze willen deelnemen aan de adviesraad.
Een ander punt waaruit een commerciële doelstelling van het bedrijf kan worden afgeleid betreft de verhouding tussen het aantal zorgprofessionals dat deelneemt aan de adviesraad en het aantal aanwezige vertegenwoordigers van het betrokken bedrijf. In 6 van de 10 onderzochte adviesraden was het aantal aanwezige vertegenwoordigers van het bedrijf groter dan het aantal deelnemende zorgprofessionals. Bovendien was niet altijd duidelijk welke rol vertegenwoordigers van het bedrijf bij het gevraagde advies hadden of kon hun aanwezigheid vanwege de commerciële functie moeilijk vanuit het belang voor de uitoefening van de geneeskunst worden verklaard.
De bevindingen van de IGJ willen niet zeggen dat het onmogelijk is om een adviesraad te beleggen over een (gedeeltelijk) commercieel onderwerp, bijvoorbeeld het laten toetsen van een communicatiecampagne rond een nieuw geneesmiddel. Goede communicatie over geneesmiddelen is in belang voor de uitoefening van de geneeskunst, maar de inrichting van de adviesraad mag er niet toe leiden dat de betrokken zorgprofessionals vooral worden beïnvloed om het betrokken geneesmiddel te gaan voorschrijven. De inrichting van de adviesraad en de betrokkenen van het bedrijf zijn daarbij van belang. Zo kan het voor het toetsen van een communicatiecampagne raadzaam zijn de adviesraad te laten leiden door een onafhankelijk communicatiebureau in plaats van commerciële medewerkers van het betrokken bedrijf zelf. Verder is transparantie van de doelstelling van de adviesraad richting de deelnemers van belang, zodat deze een weloverwogen keuze kunnen maken over hun deelname.
3. Conclusie
De eisen die aan de schriftelijke dienstverleningsovereenkomst worden gesteld, staan expliciet beschreven in artikel 6.3.2 van de Gedragscode en de toelichting daarop. De CGR vraagt aandacht voor de naleving van deze eisen.
De eis dat de dienstverlening (i.c. de adviesraad) in het belang dient te zijn voor de uitoefening van de geneeskunst (artikel 6.3.1 van de Gedragscode) is minder uitgewerkt, maar hangt samen met de eis dat in de dienstverleningsovereenkomst dient te worden opgenomen welk resultaat en/of doel het bedrijf met het gevraagde advies aan de adviesraad beoogt te bereiken.
Niet alleen de inhoud van het gevraagde advies en de gedeelde materialen is daarbij van belang. Ook de opzet van de adviesraad is relevant, zoals het aantal zorgprofessionals dat wordt betrokken en de aanwezigheid van vertegenwoordigers van het bedrijf. Het bedrijf dient te kunnen aangeven welke actieve rol deze vertegenwoordigers hebben en wat de toegevoegde waarde is in relatie tot het beoogde resultaat.
De CGR zal hierover de dialoog aangaan met haar achterban en bezien of het gewenst is daar nadere afwegingscriteria voor te formuleren.
